Duizend jaar middeleeuwen 2
(1000-1509)
In het vorige hoofdstuk zagen we dat staten als Duitsland. Frankrijk en Engeland ontstonden rond het jaar 1000. Die staten hadden nog geen sterk bestuur, zoals bijvoorbeeld het Romeinse Rijk. Het binnenwerk van deze staten bestond uit hertogdommen, graafschappen en bisdommen.
De belangrijkste ontwikkeling in de laatste periode van de middeleeuwen (1100-1500) is de opbloei van de steden. De politieke en militaire macht van de steden werd op den duur groter dan die van de edelen. De produktie in steden was ook groter dan die op de landgoederen van de edelen of van de kerk. Het zwaartepunt in de samenleving verschoof van het platteland naar de stad. In de stad stonden de grootste kerken; in bisschopssteden heten die kathedralen. De aantrekkingskracht van de steden was enorm groot. Ook edelen lieten fraaie huizen in de stad bouwen. Ze verlieten hun landgoederen en kastelen, waar ze zich alleen in de zomer of in het jachtseizoen nog lieten zien. Ook waren er kloosterorden die zich in de steden vestigden. Kortom: de opkomst van de steden veranderde de hele samenleving.
De handel
Maar wat veranderde er nu precies Wat maakte de opkomst van de steden tot een heel belangrijke gebeurtenis Dat is 'de handel' geweest. Daardoor richtten de stedelingen hun blik naar buiten. Stedelingen, en vooral handelaren, hadden een andere kijk op de wereld. In steden produceerde men niet wat men nodig had, zoals op een landgoed van Karel de Grote. Men maakte zoveel als men verkopen kon. En dat niet in n stad, maar in tientallen steden in het hele land. Tussen 1100 en 300 groeiden steden en handelsstromen enorm. Door de handel vormden de steden een netwerk, een patroon. Dit patroon werd het nieuwe binnenwerk van staten als Duitsland, Frankrijk en Engeland. Stedelingen, en vooral handelaren, hadden contacten ver buiten hun graafschap of hun hertogdom.
De Hanze Handelscontacten waren zo belangrijk dat handelssteden verdragen met elkaar sloten om de handel te beschermen. Zo'n verbond van steden noemen we een 'Hanze'. Ze ontstonden in Vlaanderen, Noord-Frankrijk en in het Oostzeegebied. Van de belangrijkste Hanze, de Noordduitse, waren zevenenzeventig steden lid. Hanzesteden gaven handelaren voorrechten,
beschermden elkaars schepen en traden gezamenlijk op tegen zeeroverij.
Van tijd tot tijd kwamen de steden van de Duitse Hanze bijeen om besluiten te nemen die bindend waren voor alle leden. Steden die zich er niet aan hielden,
werden 'verhansd' geboycot), Londen
Brugge, Bergen en Nowgorod waren geen lid van de Hanze, maar ze lieten wel handelaren toe.
Koning en koopman
Steden met veel handelscontacten waren geen partij voor een graaf of hertog. De steden hadden andere belangen en meer geld. De koningen en hun raadgevers zagen dit goed in. Zij hadden ook andere belangen dan de graven en de hertogen; en weinig geld. De koningen en de burgers vonden elkaar in hun strijd tegen de hoge edelen. Rijke steden financierden de koning. Die voerde oorlog tegen de adel en vestigde in het land een sterk bestuur. De koning vaardigde wetten uit die gunstig waren voor de steden en hij beperkte de macht van de adel.
Het geld en de wetten wonnen uiteindelijk van het zwaard en de kastelen. In Frankrijk, Duitsland en Engeland regeerden aan het einde van de middeleeuwen sterke vorsten.
Na 1500 groeiden de steden door. Ze werden groter door de groeiende handel. Ze barstten uit hun vestingmuren, die hun functie verloren, omdat de koningen de grenzen van het land verdedigden. De koningen, in de tiende eeuw symbolische figuren met weinig macht, waren weer heersers over machtige staten, waar steden de centra van handel, bestuur en cultuur waren.
