De macht van de steden
De macht van de steden heette vrijheid. Die vrijheid bestond uit het recht zelf regels en wetten te maken. De steden hadden dit recht letter voor letter gekocht van de landheren.
In de stad sloten ambachtslieden die hetzelfde beroep uitoefenden zich aaneen. Elk ambacht -smid, bakker of schoenmaker - richtte zijn eigen gilde op. De gilden kregen steeds meer invloed in het stadsbestuur, uiteindelijk zelfs meer dan de rijke kooplieden.
Met de opkomst van de steden zien we een belangrijke verandering. De macht van adel en geestelijkheid nam af ten koste van de gilden en kooplieden. Deze nieuwe groep, de burgerij, kwam bovenaan de sociale piramide te staan.
Gilden en universiteiten
De gildebroeders beconcurreerden elkaar niet. Ze letten er juist op dat het werk eerlijk verdeeld werd. Ze stelden prijzen en kwaliteitseisen vast. Wie een vak wilde leren, kon op zijn zevende al in de leer bij een meester. Na zeven jaar werd een leerjongen gezel. Als een gezel een meesterstuk maakte, kon hij als zelfstandig meester worden toegelaten tot het gilde. Zolang de steden groeiden was dat geen probleem, want de vraag naar produkten nam steeds toe. In de veertiende eeuw stagneerde de groei van de steden in Europa. Dat had onder andere te maken met de grote pestepidemie die van 1347 tot 1351 duizenden slachtoffers in Europa maakte.
Door de afnemende vraag naar produkten, was er voor nieuwkomers geen plaats meer. De gilde-broeders gaven hun zaken door aan hun zoons. Nieuwkomers konden zich als meesterknecht verhuren tegen cen dagloon dat maar een paar stuivers meer was dan het loon van een gezel. De klasse der ondernemers werd een gesloten groep.
Gilden en godsdienst
Naast hun rol in het politieke en economische leven hadden gilden invloed op godsdienstig terrein. In kerken en kathedralen richtten gilden voor hun beschermheilige een altaar op. Op de feestdag van die heilige organiseerde een gilde een feestmaal, soms voor de hele stad. Bij de bouw of de verfraaiing van de kerk tastten de gilden diep in de buidel. Een fraaie kerk, liefst met een hoge toren, verhoogde het aanzien van de stad. De enorme kathedralen in Noord-Frankrijk getuigen niet alleen van godsdienstig enthousiasme, maar ook van stedelijke trots.
Universiteiten
De kruistochten hadden in Europa een ware honger naar kennis veroorzaakt. Kennis en geleerdheid waren tot die tijd het monopolie geweest van de geleerden aan kloosterscholen, die onder het gezag stonden van de bisschoppen. Dat veranderde in de dertiende eeuw. In Bologna, Oxford en Parijs ontstonden na i zoo de eerste universiteiten. Studenten kwamen over het algemeen uit de rijke burgerij. Ze hoefden niet te werken, want ze kregen van hun familie voldoende geld. De studenten zochten zelf de professoren uit, betaalden hen en hielden ijskoud hun salaris in als ze slecht uitlegden. Collegezalen of bibliotheken waren er niet. De professoren moesten zelf het studiemateriaal verzorgen. Rechten, medicijnen en theologie waren de belangrijkste vakken en de meeste studenten volgden zoveel mogelijk colleges. Een universiteit was een kostbaar bezit voor een stad. Het gaf een stad veel aanzien.
