De opkomst van de steden en van de handel
Voor het begin van de kruistochten stelde de handel in Europa niet zoveel voor. Er viel eenvoudigweg niet zoveel te verhandelen. De domeinen van de adel en de kloosters waren zelfvoorzienend. Men leefde van wat het land opbracht. Voedsel, kleding, bouwmaterialen en brandstof kwamen uit de directe omgeving. Ook de steden in Europa konden heel goed leven van wat de omgeving opbracht. Het waren er maar weinig en ze waren klein. Een stad telde zelden meer dan een paar duizend inwoners. Alleen Parijs en Keulen waren wat groter.
Europa was dus bepaald geen paradijs voor rondtrekkende handelaren. Daar kwam nog bij dat de wegen slecht waren en dat er tol betaald moest worden; telkens weer, bij iedere brug, bij ieder veer. De vervoermiddelen waren ook niet om over naar huis te schrijven en herbergen en logementen waren schaars. Bovendien maakten struikrovers het reizen onveilig.
Ambachtslieden en handelaren
Op elk groot domein en bij elk klooster waren ambachtslieden te vinden. Toen de oogsten in de landbouw na het jaar i000 stegen, was het niet langer nodig dat iedereen zijn eigen voedsel verbouwde. Je kon nu gemakkelijker dan vroeger voedsel op de markt kopen. Meer mensen kregen de mogelijkheid zich met andere zaken dan landbouw bezig te houden. Sommigen specialiseerden zich tot ambachtsman.
Ambachtslieden kozen voor hun bedrijfje een gunstige plek. Vaak was dat een plek aan het water, want smeden, timmerlui, leerlooiers, wevers en bierbrouwers hebben veel water nodig. Vandaar dat veel steden ontstonden bij een
burcht die aan een rivier lag. De ambachtslieden hadden een bedrijfje, maar ze waren als horigen niet vrij. Anderzijds waren ze niet machteloos, want voor hun landheer waren ze onmisbaar. Ze leverden hem produkten als wapens, wijn, kleren en sieraden. Ambachtslieden en kooplui organiseerden zich en vroegen van hun heer bepaalde voorrechten in ruil voor geld. Zo kochten ze het recht om eigen bestuurders te kiezen of om een verdedigingsmuur rond de stad te bouwen of het recht om een jaarmarkt te houden. Vanaf het jaar 1100 kregen steeds meer steden in Europa stadsrechten: de landheer verleende dan het recht aan de inwoners om zelf de stad te besturen. Zo nam de invloed van de landheer af.
Jaarmarkten
In de middeleeuwen werden in bijna alle plaatsen van enige betekenis jaarmarkten gehouden. De jaarmarkten in de Franse landstreek Champagne groeiden uit tot grote internationale markten. Handelaren uit Engeland, Vlaanderen, Normandi, Itali en het Rijnland troffen elkaar daar. In Frankfurt, Brugge en Winchester werden regionale markten gehouden. Daar kochten grote handelaren in voor de jaarmarkten in Champagne. Via handelaren ontstond zo een uitwisseling tussen verschillende streken in Europa. Er werden vooral luxueuze goederen verhandeld, zoals bont, barnsteen, tin, zijde, ivoor, specerijen, reukwerk, edelstenen, zilverwerk en fijn lederwerk. Toen rond 1300 schepen van Genua naar Brugge voeren, verloren de jaarmarkten in het binnenland langzaam hun betekenis. De handel verplaatste zich naar de kust en nam verder in omvang toe.
De groeiende handel in het Middellandse Zeegebied was het trekpaard in deze ontwikkeling. Vanuit het Middellandse Zeegebied gingen grote hoeveelheden goederen naar Vlaanderen en
Frankrijk. Ook tussen West-Europa en het Oostzeegebied nam de handel in luxeartikelen toe. Hollanders kwamen aan die handel niet te pas. Ons land specialiseerde zich in eenvoudige produkten, zoals bier, bakstenen, pek en zout, turf, haring en kaas. Die produkten werden wel goed verkocht in de steeds groter wordende steden van Vlaanderen, Frankrijk en Engeland.
Dank zij de bloeiende handel ontstond er een groep van rijke kooplieden, die in de steden steeds meer invloed kreeg.
