De Arabieren bleken over een veel ruimere kennis te beschikken dan de Europeanen. Ze hadden in de zevende en achtste eeuw een wereldrijk opgebouwd, waarin de kennis van Grieken en Romeinen bewaard bleef. Nieuwe kennis verspreidde zich vanuit Azi. Uit de Chinese wereld kwam het gebruik van papier. Uit India kwamen de cijfers die wij gebruiken. Deze zogenaamde Arabische cijfers werken heel wat handiger dan de Romeinse cijfers. Schrijf 218 maar eens in Romeinse cijfers (CCXVIII). En vermenigvuldig dat met 233 (CCXXXIII). Met Arabische cijfers is dat te doen, maar met Romeinse cijfers lukt het niet. Ook op het vlak van geneeskunde en sterrenkunde waren de Arabieren heel wat verder dan de Europeanen. De geleerden Razi en Ibn-Sina hadden voor hun tijd een bijzonder goed inzicht in de oorzaken en behandeling van ziekten. Het medisch handboek dat Ibn-Sina schreef werd in het Latijn vertaald. Het is nog eeuwen gebruikt aan Europese universiteiten.
Een stimulans voor de handel
In economisch opzicht waren de kruistochten heel belangrijk. Italiaanse steden als Pisa, Genua en Veneti hebben er schatten aan verdiend. Al voor de kruistochten dreven Italiaanse steden handel met Constantinopel. Die stad was met een half miljoen inwoners naar maatstaven van die tijd enorm groot. Venetiaanse handelaren verscheepten graan, wijn en timmerhout naar Constantinopel. Uit Constantinopel namen ze zijde, suiker en specerijen mee terug. Het ging om kleine hoeveelheden, want de markt - de vraag naar dit soort produkten - was nog heel klein.
De kruistochten hadden een enorme uitbreiding van de handel tot gevolg. De voedselprijzen in Constantinopel stegen, zodat het aantrekkelijker werd graan en wijn uit Europa te exporteren. Italiaanse handelaren breidden hun contacten uit met Arabische handelaren. De Italianen werden de eerste leveranciers van produkten als suiker, peper en papier en verdienden er vermogens mee. Oorlog en handel sloten elkaar niet uit, ze vulden
