Strijd om de macht
In de loop van de elfde eeuw probeerden de vormen van Engeland, Frankrijk en het Duitse Rijk weer greep te krijgen op hun land. Ze pakten hun leenmannen flink aan. Ook probeerden ze de kerk in dienst te stellen van hun streven naar macht. Daarbij kregen ze te maken met de machtigste man van de kerk: de paus.
In de elfde eeuw hebben twee pausen Europa hun macht laten voelen: Gregorius VII en Urbanus 11. Gregorius werd paus in 1073. Volgens hem was het simpel: alle macht lag bij de paus. De paus benoemde de bisschoppen en hij kon, zo zei Gregorius, zelfs de keizer van het Duitse Rijk afzetten. De keizer dacht daar heel anders over. Aanleiding tot een grote ruzie was de vraag wit de bisschoppen in het Duitse Rijk mocht benoemen. Al een eeuw lang hadden de keizers van het Duitse Rijk de gewoonte zelf bisschoppen te benoemen. Dat kwam hun goed uit, want bisschoppen konden de taken van de adel overnemen en... ze hadden geen erfgenamen. Je had dus geen last van zonen van edelen die automatisch hun plaats opeisten. De keizers probeerden zo de adel buitenspel te zetten. Over het benoemingsrecht (= investituur) ontbrandde een heftige strijd tussen Gregorius VII en keizer Hendrik IV: de Investituurstrijd.
Paus Gregorius greep naar een sterk wapen. Hij deed de keizer in de ban. Dat betekende dat hij hem uit de kerk zette en dat Hendrik de sacramenten niet kon ontvangen. Zijn leenmannen en bisschoppen konden hem niet meer trouw blijven, want dat zou betekenen dat ze ook zelf in de ban werden gedaan. Hendrik moest nu wel toegeven aan de paus. Hij reisde in 1077 naar het winterverblijf van de paus. De paus, dit hem eerst drie dagen op blote voeten buiten liet staan,
vergaf hem. De Investituurstrijd was hiermee niet afgelopen, want Hendrik ging toch weer door met het benoemen van bisschoppen. Pas in 1122 kwam er een oplossing. De bisschoppen ontvingen voortaan van de keizer hun scepter, het teken van de wereldlijke macht. Van de paus kregen ze de ring en de staf, de tekenen van de geestelijke macht. Zo werd een scheiding aangebracht tussen wereldlijke en geestelijke macht.
Ook Urbanus II was een machtige paus. Hij kreeg het voor elkaar dat duizenden edelen en boeren naar Palestina trokken om het Heilige Land te bevrijden van de islamieten. Urbanus was de aanstichter van de kruistochten.
De kruistochten
In Klein-Azi werd in 1071 een Byzantijns leger vernietigend verslagen door een islamitische, Turkse stam. Na deze overwinning vestigden de Turken zich blijvend in Klein-Azi. De Byzantijnen waren ten einde raad en konden niet anders dan de paus in Rome om hulp te vragen.
Paus Urbanus II voelde de sfeer goed aan, toen hij zijn oproep deed om het Heilige Land, Palestina, te bevrijden van de islamitische Turken. Onder de adel en de geestelijkheid in Europa bestond een groot enthousiasme om tegen islamieten te vechten. In Spanje werden de islamitische Arabieren langzaam maar zeker teruggedreven, omdat hun rijk daar geen eenheid meer vormde. Ook op de eilanden in de Middellandse Zee verloren de Arabieren terrein.
In Frankrijk trok Peter de Kluizenaar van dorp
naar dorp, van stad naar stad, aan het hoofd van een steeds grotere stoet volgelingen. Zijn prediking over het Heilige Land, het graf van Christus en de rijkdommen van het oosten trok tienduizenden aan. Tienduizenden boeren en knechten die er geen benul van hadden waar het Heilige Land lag, vormden een volkskruistocht. Ze trokken te voet en met ossewagens door het Rijnland en langs de Donau naar Constantinopel. Onderweg stierven duizenden. Ridders gingen ook op weg. Zij volgden de route door Itali om in Bari scheep te gaan naar Constantinopel.
In Constantinopel schrok men geweldig van deze horde Franken, Normandirs en Duitsers. Dit was wat veel van het goede, want zoveel steun had Constantinopel nu ook weer niet nodig. En het wilde plan om Palestina te gaan bevrijden stond de machthebbers in Constantinopel helemaal niet aan.
