Duizend jaar middeleeuwen I
(500-1000)
In dit hoofdstuk staan de middeleeuwen centraal. Toch begonnen we onze tocht door de rijd eerder. bij de Kelten, die in Europa woonden voor de komst van de Romeinen. De Romeinen onderwierpen de Keltische volkeren. Later verdreven de Germanen de Keltische volkeren naar de uithoeken van Europa. Van de Keltische cultuur zijn nog sporen overgebleven, zoals de kleding van Schotten of de Keltische talen die in Wales, Ierland, Schotland en Bretagne worden gesproken.
De middeleeuwen
Na de Kelten en de Romeinen kwamen de Germanen. Hun komst markeert het begin van de middeleeuwen. De middeleeuwen zijn de eeuwen tussen de val van het Romeinse Rijk (476 na Chr.) en de opbloei van Europa in de vijftiende eeuw. De val van het Romeinse Rijk werd versneld door de grote volksverhuizingen. Germaanse volkeren vestigden zich in West-Europa. Van deze volkeren waren de Franken het belangrijkst. Hun koning, Clovis, nam het christendom aan. Rond 750 had het christendom zich stevig gevestigd in Europa. De kerk kreeg steeds meer invloed op het bestuur, de economie, de wetenschap en op het persoonlijke leven van mensen.
De Frankische koning Karel de Grote, die een Europees rijk opbouwde, werd
in 800 door de paus tot keizer gekroond.
Na zijn dood viel zijn rijk uiteen. Eerst werd het in Verdun (843) in drie delen gesplitst door zijn kleinzonen Karel de Kale (West-Frankische Rijk), Lotharius (het middendeel plus de keizerstitel) en Lodewijk de Duitser (het Oostfrankische Rijk). In 870 verdeelden Lodewijk en Karel het middenrijk. Hierdoor ontstonden twee staten die wij nu nog kennen: Duitsland en Frankrijk. Tot in onze tijd hebben deze landen conflicten gehad over het bezit van grensgebieden als Lotharingen en de Elzas. Nu zijn deze gebieden Frans.
Frankrijk en het Duitse Rijk kregen net als Engeland te maken met invallen door de Noormannen (790-911). Het belangrijkste gevolg was dat de Franse koningen en de Duitse keizers hun uitgestrekte rijken niet konden verdedigen. De grote rijken vielen uiteen en de macht van de plaatselijke hertogen en graven groeide. In de eigen landstreek probeerde deze groep van leenmannen en achterleenmannen de orde te bewaren ofte herstellen.
Oude grenzen
Aan het hoofd van het Duitse en Franse
Rijk bleef een keizer of koning staan.
Alleen, hij had niet veel te zeggen over
zijn grondgebied. In het Duitse Rijk
stond vanaf 962 een keizer aan het
hoofd. Toen liet koning Otto zich door
de paus tot keizer kronen van het Hei-
lige Rooms-Duitse Rijk. Om) 1 'de
Grote' was een machtige keizer, maar
zijn opvolgers verloren steeds meer
invloed. Toch bleef het keizerschap
gehandhaafd en zo behield het Duitse
Rijk een zekere samenhang.
In Frankrijk ging het op vergelijkbare wijze. Toen daar de Karolingen uitstierven, kwam de koningstitel toe aan de familie Capet. De koningen uit dit huis hadden aanvankelijk heel weinig macht. Maar het idee dat er over het Frankenrijk in theorie n man moest regeren, stamt uit deze tijd.
Natuurlijk worden Frankrijk en Duitsland heel anders bestuurd dan duizend jaar geleden. Toch lijken de buitengrenzen van toen al sterk op de landgrenzen van nu. Het binnenwerk van deze drie staten bestond uit hertogdommen en graafschappen. Ook lagen er grote bezittingen van de kerk, bestuurd door bisschoppen. De bisschoppen, graven en hertogen zijn verdwenen, maar de landstreken en hun benamingen zijn gebleven. Tussen Normandi en Bretagne ligt geen grens, maar er is een sterk regionaal bewustzijn. In Bourgondi of Gascogne is het niet veel anders.
Het moderne Duitsland bestaat nog steeds uit deelstaten, die in hoge mate hun eigen zaken kunnen regelen. De deelstaten zijn veel zelfstandiger dan onze provincies. Het heeft niet voor niets tot 1871 geduurd voordat Duitsland n bestuur kreeg.
De nationale buitengrenzen en de regionale binnengrenzen in Europa zijn in ruwe vorm ontstaan tussen 500 en 1000. Toen maakten edelen en geestelijken de dienst uit. In de periode tussen 1000 en 1300 zou dat gaan veranderen.
