Techniek

Eeuwenlang leek er voor de horigen niets te veranderen. Toch zijn er in de middeleeuwen een paar doorbraken geweest in de landbouw. De belangrijkste was de overgang van het tweeslagstelsel naar het drieslagstelsel. Tot het jaar t000 lieten boeren de helft van hun grond om het jaar ongebruikt, braak, liggen. Na t000 verspreidde zich het gebruik om gewassen meer af te wisselen. Het eerste jaar werd tarwe verbouwd, het tweede jaar
rogge en het derde jaar lag de akker braak. De
grond raakte minder snel uitgeput en de oogsten namen toe.
Een tweede doorbraak was het gebruik van het paard voor de ploeg. Een paard was veel sterker dan een os, zodat een boer twee keer zoveel grond kon bewerken. Bovendien kon hij de ploeg dieper in de grond steken, waardoor het zaaigoed beter ontkiemde.
Dank zij drieslagstelsel en nieuwe ploegmethode groeiden de oogsten en daarmee de welvaart van de boeren. Hun pacht lag vast en wat ze meer verbouwden mochten ze houden. In de loop van de twaalfde en de dertiende eeuw werden steeds meer woeste gronden ontgonnen. Het landbouwareaal groeide daardoor en voor de bevolking was er genoeg te eten.
De dagindeling van een edelman
Een edelman stond vroeg op, soms al om vier uur. In de kapel deed hij zijn gebeden. Voor dag en dauw regelde hij zijn officile zaken en inspecteerde zijn landgoed. Daarna ging hij op jacht. Herten en wilde zwijnen waren favoriet. Na de jacht, zo rond twee uur 's middags, werd er gegeten. Vlees, gevogelte, brood en pasteien werkten de hongerige edelen zonder bestek naar binnen. Vaak had een edelman een zanger (een troubadour) in dienst, die verhalen vertelde en speelde. Troubadours schreven die verhalen zelf of kochten ze van beroemde dichters. Verhalen van koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel waren heel populair. Ook vertelden de troubadours keer op keer de talloze legenden over Karel de Grote.
De vrouw in de middeleeuwen
In de legenden van Arthur en zijn vrouw Guinevere stond de dienstbaarheid aan de dame en aan de kerk centraal. In de praktijk kwam er weinig van de verering van vrouwen terecht. Vrouwen werden gezien als onvolmaakte wezens, die de zonde in de wereld hadden gebracht. Zij waren de bron van alle kwaad. Het was immers de schuld van Eva dat de mens het paradijs moest verlaten. Kinderen waren het produkt van de zonde en deugden dus ook niet.
Vrouwen stonden onder het gezag van hun vader of van hun man. En om dat gezag uit te oefenen, sloegen ze vaak hun dochter of vrouw. Er zijn veel berichten van vrouwen die het niet op zich lieten zitten. Ze sleepten hun man voor het gerecht of knepen ertussenuit.
Ook de kerk beschouwde de vrouw als minderwaardig aan de man. Vrouwen mochten geen priester worden. Het was hun taak kinderen te baren en te zorgen voor hun opvoeding. Verder moesten ze hun man dienen. De man mocht wel ontrouw zijn aan zijn vrouw en zelfs van haar scheiden, maar een vrouw had deze rechten niet. De middeleeuwse samenleving was dus een echte mannenmaatschappij. En de kerk heeft dat in de hand gewerkt.
Toch keurde de kerk het brute optreden van mannen niet goed. De vrouw was weliswaar ook in hun ogen de oorsprong van alle kwaad en een instrument van de duivel. Maar Maria, de moeder van Jezus, was ook een vrouw. In de twaalfde en dertiende eeuw kwam de Mariaverering sterk op. Zij wordt nog steeds aanbeden als de ideale vrouw.
De kerk bood een mogelijkheid om te ontsnappen
aan de mannelijke macht: het klooster. Veel
vrouwen kozen genreven door godsdienstige gevoelens voor een kloosterleven. Maar veel vrouwen gingen niet uit vrije wil. Meisjes uit hogere kringen werden vaak in een klooster gestopt omdat er geen geld was voor een bruidsschat. Ook was er een vrouwenoverschot, omdat veel edellieden sneuvelden in oorlogen. Ongetrouwde vrouwen traden vaak in in een klooster.
