Het leven op een domein
Een edelman had n of meer landgoederen in het gebied dat hij voor zijn leenman bestuurde. Deze landgoederen, heerlijkheden of domeinen, waren vaak zeer uitgestrekt. Een oppervlakte van enkele honderden hectaren was geen uitzondering. De domeinen werden omringd door woeste gronden. wouden, velden en moerassen. De boeren hoorden bij het landgoed. Ze waren horig. Dat wil zeggen dat ze het landgoed niet mochten verlaten. Op elk stuk grond dat een boer bewerkte, rustte een verplichting. Hij moest een deel van zijn oogst afstaan aan de landheer als betaling voor het gebruik van de grond. Ook voor het gebruik van water uit bronnen van de landheer of het sprokkelen van hout moesten boeren betalen. Geld was er niet. Daarom betaalden de horigen in de vorm van diensten. Ze groeven sloten, snoeiden bomen, haalden de oogst voor de heer binnen en onderhielden zijn kasteel. Het leven op een domein kende een vast patroon met elk jaar dezelfde werkzaamheden. Zaaien van haver en gerst in het voorjaar, hooien in juni, oogsten in juli en het land ploegen in september. November was de slachtmaand. Dan ging het vetgemeste varken voor de bijl.
