In Engeland regeerden in de elfde eeuw Deense koningen. Toen een edelman van Engelse oorsprong, Harald, in 1066 een einde wilde maken aan de Deense heerschappij, greep de hertog van Normandi in. Willem de Veroveraar stak vanuit Normandi het Kanaal over en versloeg Harald in de slag bij Hastings. Zo werd een edelman met bezittingen in Frankrijk, koning van Engeland. Ook in Holland en zelfs op Sicili vestigden zich Noormannen. Ze hadden zich verspreid over grote delen van Europa. Uit het noorden kwamen geen nieuwe invallen meer.
Leenmannen grijpen de macht
In de tiende en elfde eeuw herstelde Noordwest-Europa zich van de invallen van de Noormannen. Aarzelend kwamen de handel en de nijverheid op gang. De bevolking groeide weer een beetje. Hogere landbouwopbrengsten en ontginningen van nieuwe landbouwgronden zorgden ervoor dat die groeiende bevolking te eten had.
De opvolgers van Karel de Grote hadden hun onderdanen niet kunnen beschermen tegen de invallen van Noormannen, Hongaren en Arabieren. Ze konden hun macht niet herstellen. De macht was nu in handen van de graven en hertogen die in het verleden een stuk land in leen hadden gekregen. Deze leenmannen beschermden hun grondgebied met eigen legertjes tegen rovers en invallers. Wij lachen om een edelman met vijftig vreemd uitgedoste ruiters. Ook zijn wij niet onder de indruk van een kasteeltoren, een donjon, waar bange boeren in tijden van nood heen-vluchtten. Maar in hun tijd vormden graven, hertogen en hun ridders een macht waar niemand tegenop kon.
Vazallen
Graven en hertogen konden hun gebied niet alleen besturen. Gebieden als Vlaanderen of Holland waren in die tijd te groot om centraal, vanuit n plaats, te besturen. De graaf, leenman van de keizer, gaf daarom stukken van zijn graafschap in leen aan zijn edelen. We noemen deze edelen achterleenmannen of vazallen. Ook de kerk bestuurde grote stukken land. Het centrale gezag was volledig verdwenen. Europa was verdeeld in een lappendeken van hertogdommen, graafschappen en kerkelijke bezittingen, waar edelen en geestelijken de lakens uitdeelden.
De sociale piramide
Bovenaan de piramide staat de koning. Maar na de tijd van Karel de Grote nam zijn macht af. Leenmannen en achterleenmannen namen zijn rol over. Zij waren rijke grondbezitters, die de adel vormden. Ook de kerk en de meeste kloosterorden bezaten uitgestrekte grondgebieden en vormden een belangrijke geestelijke, politieke en economische macht. Kerk en adel, ook eerste en tweede stand genoemd, maakten de dienst uit. Kleine, vrije boeren kregen het steeds moeilijker. Zij konden niet meer op tegen de rijke grondbezitters, die hun gebieden steeds verder uitbreidden. Veel verarmde boeren droegen hun boerderij, zichzelf en hun gezin over aan een grootgrondbezitter. Ze werden horigen. Onder hen stonden de lijfeigenen en slaven die nog minder rechten hadden.
Edelen, horigen en vrouwen
Een edelman had in principe n taak: vechten. Van jongs afaan was zijn opvoeding daarop gericht. Opvoeden gebeurde buitenshuis. Als hij zeven of acht jaar was, vertrok een jongen naar het hof van een bevriende edelman. Daar diende hij als page de vrouw des huizes. Hij leerde zingen, luit spelen en soms zelfs lezen. Vanaf zijn zestiende werd hij schildknaap en diende hij de edelman. Hij ging mee op jacht, vocht mee in de oorlog en leerde drinken, vechten en besturen. Rond zijn twintigste levensjaar ontving de schildknaap de ridderslag. Hij beloofde 'hou en trouw' aan zijn heer.
Nu kon de jonge ridder trouwen. Trouwen was een familiezaak. Een huwelijk verstevigde de banden tussen twee families; liefde stond niet voorop. Familieleden waren een soort speelkaarten, troeven die moesten worden uitgespeeld. Als een ridder de oudste zoon was, erfde hij het landgoed en de titel van zijn vader. Was dat niet het geval, dan moest hij een aanzienlijke bruid zien te verwerven, die van haar familie een flinke bruidsschat meekreeg. De kans op een goede 'partij' nam natuurlijk toe als de ridder zelf uit een goede familie kwam en als hij persoonlijk een uitblinker was: moedig, vroom en trouw. Een andere zoon kon proberen in dienst van de kerk een hoog geestelijk ambt (bijvoorbeeld bisschop) te verwerven. Die kans werd groter als de familie goede relaties onderhield met de kerk. Ruime giften aan de kerk, het stichten van kloosters of het deelnemen aan bedevaarten of kruistochten waren goed voor de naam van een familie. Voor de jongste zonen werd het moeilijker. Ze moesten proberen in de gunst te komen van een hoge edelman, want die had winstgevende of eervolle ambten te vergeven... en dochters.
