Een andere regel verbood net mannen en vrouwen samen te zijn. Er kwamen aparte mannen- en vrouwenkloosters om de kuisheid van de kloosterlingen te garanderen. Verder mocht een kloosterling het klooster met verlaten en was het streven naar rijkdom taboe.
De kloosterlingen stonden niet onder het gezag van een priester, maar onder dat van een abt. In de loop van de tijd bouwden kloosters omvangrijke bezittingen op. Grote delen van de woeste gronden van Europa hebben ze ontgonnen.
De Beleerden van de middeleeuwen Kloosterlingen en andere geestelijken waren de geleerden van de middeleeuwen. Daarom waren velen in dienst van vorsten en andere edelen. De invloed van de kerk werd zo nog groter. Ook voor Karel de Grote waren de kloosters een steunpilaar. Geleerde kloosterlingen stelden brieven, verdragen en wetten op. Karel kon dat zelf niet, want hij kon niet schrijven. Wel besefte hij dat geschreven regels bitter nodig waren om zijn grote rijk goed te besturen.
Karel had veel belangstelling voor het Romeinse Rijk en nam bijvoorbeeld Romeinse rechtsregels over. Maar hij begreep dat hij die regels niet zomaar kon opleggen aan de Franken, de Friezen of de Saksen. Hun eigen regels liet Karel door geestelijken opschrijven. Karel vaardigde veel wetten uit. Om de wetten uit te voeren was het nodig mensen te leren schrijven en lezen. Kloosters verzorgden dit onderwijs. Karel de Grote loofde prijzen uit voor de vernieuwing van het onderwijs en geleerden, meestal monniken, kwamen op het hof van Karel in Aken af
De kerk had dus veel invloed. In de eerste plaats was ze een geestelijke macht. Door haar invloed op vorsten werd de kerk ook een politieke macht. En door haar rijkdommen bovendien een economische macht.
De Noormannen komen
Na de dood van Karel de Grote raakte het rijk langzaam in verval. Onder Karels zoon Lodewijk de Vrome bleef het rijk nog in zijn geheel bestaan, maar zijn zonen verdeelden in 843 het grondgebied in drie delen. Er was geen krachtige heerser meer, die het hele rijk bijeen kon houden. Het verzwakte bestuur gaf de Noormannen, of Vikingen, vrij spel voor hun rooftochten. Hun invallen kun je beschouwen als een staartje van de volksverhuizingen. Stamleiders uit het hoge noorden trokken met hun krijgers in snelle, geroeide drakenschepen langs de kusten van Europa. De Vikingen kwamen, omdat het leven in hun vaderland ondraaglijk was. De koude winters, de duisternis en het late voorjaar maakten het boerenbestaan in Noorwegen en Denemarken onzeker en onaantrekkelijk. Op zee was roem, eer en buit te behalen. De kusten van West-Europa (en Engeland) waren onverdedigd, zodat de Vikingen straffeloos de Rijn, de Theems en de Schelde konden opvaren. De Vikingvloten belegerden steden en eisten geld en goederen. Bracht een stad de schatting op, dan trokken de Vikingen verder; zo niet, dan volgde een bestorming. Dorestad (op de plek waar nu Wijk bij Duurstede ligt), Aken, Utrecht en Luik hebben gebrand als fakkels. Ook plunderden de Noormannen kloosters en martelden monniken.
De Noormannen vestigen zich
Pogingen om een einde te maken aan de invallen
haalden in eerste instantie weinig uit. Zo gaf Lo-
tharius (de kleinzoon van Karel) Dorestad in leen
aan een Noorse hoofdman, Rorik. Rorik motst de
kust verdedigen tegen andere Noormannen. Het
werd geen succes. Dorestad, een belangrijke han-
delsstad (het Rotterdam van de vroege middel-
eeuwen), werd een pleisterplaats voor Vikingen die zich verder landinwaarts waagden. Het middel was dus erger dan de kwaal. Toch was het idee niet zo gek. De opvolger van Lotharius. Karel de Dikke, probeerde het weer. Hij gaf de monding van de Rijn in leen aan de Noorse vorst Godfried. Onder zijn bewind kwam er een einde aan de invallen. Toen hij te veel macht dreigde te krijgen liet Karel de Dikke hem uit de weg ruimen. Een andere koning gaf het gebied rond de monding van de Seine in leen aan de Noorman Rollo (911). Daardoor waren zijn eigen bezittingen rond Parijs veilig voor invallen. De Noormannen vestigden zich in deze streek en de naam 'Normandi' herinnert daar nog aan.
