Bestuur
Karel de Grote was een goed bestuurder. Hij wilde dat zijn rijk net zo zorgvuldig bestuurd werd als zijn eigen paltsen. Om dit doel te bereiken deelde hij zijn rijk op in gouwen, een soort provincies. Over zo'n gouw stelde hij een graaf aan.
De graaf, een soort ambtenaar dus, moest zijn gouw besturen en hij sprak recht. Om de graven te controleren trokken zendgraven rond. Karel de Grote gaf deze functies aan zonen van vooraanstaande edellieden, die op deze manier afhankelijk werden van de gunsten van de koning. De graven deden dit werk natuurlijk niet voor niets. Karel betaalde ze door hen een stuk land in leen te geven, met bewoners en al. Zo'n stuk land heet een domein.
Om de rust aan de grenzen te verzekeren stichtte Karel versterkte grensprovincies, de marken.
De overwinning van het christendom
De keizerstitel was in het voormalige Westromeinse Rijk in 476 afgeschaft. Maar in 800 was er weer een keizer, toen de paus Karel de Grote tot keizer kroonde.
De banden tussen keizer en paus waren nu wel heel erg hecht geworden. Daarbij rees de vraag wie er uiteindelijk de baas was: de paus of de keizer. De nieuwe keizer was, anders dan bij de Romeinen het geval was, niet goddelijk. Maar wel vond Karel de Grote dat hij net zoveel macht moest hebben als de Romeinse keizers. De paus was het daar helemaal niet mee eens. Hij beweerde dat de macht uiteindelijk bij hem lag, omdat hij zich beschouwde als plaatsvervanger van God op aarde.
De organisatie van de kerk
De katholieke kerk was net zo georganiseerd als een staat. Aan het hoofd van de kerk stond de paus die in Rome zetelde. Daaronder stonden de kardinalen. Kardinalen waren hoge geestelijken uit Rome, bisschoppen, abten van grote kloosters of geleerden. De kardinalen vormden het College van Kardinalen dat je kunt vergelijken met de senaat van de Romeinen. Net als de leden van de senaat moest een kardinaal zijn sporen verdiend hebben. Zat hij eenmaal in het College, dan bleef hij lid tot zijn dood.
De paus benoemde de aartsbisschoppen die een kerkprovincie bestuurden. Zo'n kerkprovincie was weer onderverdeeld in bisdommen, waar een bisschop aan het hoofd stond. Deze gaf leiding aan de priesters en beheerde de kerkelijke bezittingen. De kerkelijke bezittingen waren omvangrijk. In ons land bezat de kerk bijvoorbeeld de provincie Utrecht en grote delen van Overijssel.
Priester hadden de zorg over een parochie. Aan
de gelovigen verstrekt, ze de sacramenten (zie figuur 13). Was je aan het einde van je leven niet voorzien van de sacramenten, dan ging je regelrecht naar de hel. Uitsluiting van de sacramenten was dan ook een zware straf Dreigen met uitsluiting was een uitstekend middel om de bevolking (van laag tot hoog) afhankelijk te maken van de kerk.
Kloosters
Kloosters zijn gemeenschappen waar gelovigen zich afzonderen van de wereld om te bidden en te denken. In de zesde eeuw stichtte Benedictus van Nursia het klooster van Monte Cassino in Itali. De regels die hij opstelde, namen alle kloosters in West-Europa in de loop van de tijd over. Hoofdregel was: 'Bid en werk'.
De kloosterlingen mochten zich niet alleen aan gepeins en gebed overgeven; ze moesten ook schrijven, studeren, op het land werken en zieken verzorgen.
