De Franken
Een van de belangrijkste Germaanse stammen was de stam van de Franken, die in het noordwesten van het Romeinse Rijk woonde. Deze stam breidde zijn macht steeds verder uit. Vooral toen Clovis, die leefde van 466 tot 511, koning van de Franken was. Clovis werd op zijn zestiende koning. Hij trouwde een christelijke prinses, Clothilde. Maar Clovis bleef de Germaanse goden trouw en was erop tegen dat hun eerste zoon gedoopt werd. Toen die zoon in zijn doopjurk stierf, leidde dit tot heftige echtelijke twisten. Een tweede zoon overleefde de doop. Dit bracht Clovis ertoe om tijdens een veldtocht die slecht verliep de God van zijn vrouw aan te roepen. Nauwelijks had hij dit gedaan of de vijanden gingen op de loop. Clovis was zo eerlijk het voorval aan zijn vrouw te melden. Die liet onmiddellijk een bisschop komen om Clovis te dopen. Hij kreeg nu de steun van de kerk en van de bevolking. Dat maakte hem sterk tegen zijn vijanden. Hij liet zijn Frankische concurrenten ombrengen en veroverde een gebied zo groot als het huidige Frankrijk en een deel van Duitsland.
De donkere eeuwen
Na de dood van Clovis viel het Frankenrijk uiteen en maakte twee donkere eeuwen door. Tussen 511 en 75z regeerden er maar liefst tweendertig verschillende koningen over (delen van) het rijk. Hun regeerperioden waren kort en gewelddadig. Door de vele oorlogen braken regelmatig hongersnoden uit, die gevolgd werden door epidemien. In de periode van 400 tot 700 liep de bevolking van Europa dan ook sterk terug. Steden raakten in verval, wegen werden overwoekerd, aquaducten vielen in puin.
De Karolingcn en de kerk
De koningen lagen zo met elkaar overhoop, dat belangrijke edelen de macht naar zich toe konden trekken. Uit hun midden kozen ze een leider, de hofmeier. Een van de nakomelingen van hofmeier Peppijn wist zich op te werken tot leider van de Franken. Zijn naam was Karel Martel. In 7.4 kwam hij aan de macht.
Ook de rol van de kerk werd steeds belangrijker, want veel mensen waren overgegaan tot het christendom. Bovendien bezat de kerk uitgestrekte landerijen en was goed georganiseerd.
Karel Martel zag in dat de kerk grote invloed had en vermoedde dat hij met hulp van de kerk zijn macht kon vergroten. Daarbij kwam het hem goed uit dat de islamitische Arabieren in het zuiden oprukten. Zij vormden een bedreiging voor de christelijke kerk, want ze waren al tot de Pyreneen opgerukt. Karel Martel stampte een groot leger uit de grond om het islamitische gevaar re keren. Om tegen de Arabieren een kans te maken, moest hij zijn troepen een goede beloning in het vooruitzicht stellen. Hij stelde de kerk voor de keus. Hij zou de Arabieren te lijf gaan als de kerk hem grond gaf om zijn krijgers te belonen. De kerk ging akkoord. Toen hij in 732 de Arabieren had verslagen, kon hij met zijn leger ook de Saksen en de Friezen, beide Germaanse stammen, onderwerpen.
Zijn zoon, die net als zijn grootvader Peppijn heette, was uit een ander hout gesneden. Hij gebruikte de kerk niet om zijn eigen macht te vergroten, maar wierp zich echt op als beschermer van de kerk. De paus kroonde hem in ruil daarvoor tot koning. Dat maakte de banden tussen kerk en staat weer wat hechter.
Karel de Grote
In 768 werd Peppijn opgevolgd door zijn zoon Karel de Grote. Het rijk van Karel de Grote was omvangrijk. Het omvatte Duitsland, Frankrijk, Noord-Itali en de Lage Landen. Het was een echt Europees rijk met een omvang die deed denken aan het Westromeinse Rijk. In tientallen veldtochten onderwierp Karel de Longobarden in Itali, de Saksen en de Beieren in Duitsland en bekeerde hen tot het christendom. Dat ging niet vanzelf Tegen de Saksen gebruikte hij terreur, omdat ze weigerden zich te bekeren tot het christendom. Om hen onder duim te krijgen stelde Karel vele bepalingen op, waarin het doodstraffen regende: op het weigeren van de doop, op het eten van vlees in de vasten, op het verbranden van doden. Ook verplichtte hij de Saksische edelen de christelijke priesters te onderhouden. Uiteindelijk greep Karel zelfs naar een beproefd middel, deportatie, om de Saksen eronder te krijgen.
De organisatie van het rijk
Karel de Grote was een groot organisator. Dat blijkt uit de honderden bepalingen die hij uitvaardigde voor het beheer van zijn eigen bezittingen. Op figuur to staan de landgoederen, de paltsen, van Karel aangegeven. Alle paltsen werden op dezelfde manier bestuurd. Een rentmeester moest ervoor zorgen dat de boeren hun werk deden en hun pacht - in natura - betaalden. Ook moesten ze zorgen dat er bier, wijn, brood, zeep en visnetten in voorraad waren als Karel kwam. Als de keizer en zijn gevolg zich door de voorraden hadden heengegeten, gingen ze verder.
Karel was een Pietje Precies. Hij schreef bijvoorbeeld voor welke bloemen er in de tuin moesten staan en hoe de wijn uit de druiven geperst moest worden (niet met blote voeten!). En hij was in staat om zelf de eieren na te tellen die de boeren moesten inleveren.
