Een edelman had zijn eigen smid, die voor hem
een wapenrusting maakte. De knappe smeden zijn waarschijnlijk de uitvinders van het malinkolder. een harnas gemaakt van kleine ringetjes, die de beweging van het lichaam volgen. Dat zat een stuk prettiger dan de harde en zware borststukken van massief ijzer dit de Romeinse soldaten gebruikten. Julius Caesar, dit de Kelten uiteindelijk versloeg, voerde het malinkolder in het Romeinse leger in.
De smeden verdienen hun hoge plaats op de sociale piramide ten volle. Het waren niet alleen wapensmeden. Kijk maar eens naar de figuur hieronder. De armband maakt duidelijk dat een smid niet zomaar een ambachtsman was, maar een kunstenaar.
De onderwerping van de Kelten
De Kelten bewoonden een uitgestrekt gebied in Midden- en West-Europa. De bloeiperiode van hun cultuur plaatsen we tussen 40o en lno voor Chr. Tussen wo voor en 40o na Chr. hebben de Romeinen de Kelten onderworpen.
Er waren verschillende Keltische stammen. In het gebied waar nu Frankrijk ligt, woonden de Gallirs. In 5z voor Chr. versloeg Julius Caesar de Gallische aanvoerder Vercingetorix en kon daardoor heel Galli tot een nieuwe provincie maken. Galli was bij de Romeinen een populaire vestigingsplaats. Uit de vermenging van Gallirs en Romeinen ontstond de Gallo-Romeinse beschaving. Het was een stedelijke beschaving en dat was voor de Gallirs een hele verandering, want daarvoor hadden ze altijd in dorpen gewoond. Maar ook op het platteland liet de Romeinse beschaving sporen achter. Daar verrezen villa's en landhuizen naar Romeins model. Wegen en aquaducten doorsneden het landschap. In de tweede eeuw na Chr. drong ook het christendom door tot in Galli. De polythestische godsdienst van de Gallirs maakte langzamerhand plaats voor het monothestische christendom.
Romeinen en Britten
In het tegenwoordige Engeland woonde ook een Keltische stam: de Britten. Het lukte Julius Caesar niet hen te onderwerpen, maar een eeuw later bezette keizer Claudius het zuiden van Brittanni. Het werd een rustige provincie, maar minder Romeins dan Galli. Het noorden hebben de Romeinen nooit kunnen veroveren. Keizer Hadrianus (117-138) bouwde daar een muur van oost naar west, die invallen van noorderlingen onmogelijk maakte.
De Germaanse volksverhuizing
Germanen woonden in het noorden van Europa, buiten het Romeinse Rijk. Toen in de derde en vierde eeuw het Romeinse Rijk in verval raakte, vestigden zich steeds meer Germaanse stammen langs de grenzen. In een poging de rust te bewaren kregen sommige Germaanse stammen toestemming om zich binnen de grenzen van het rijk te vestigen. Zo mochten de Franken in de vierde eeuw op het grondgebied van het huidige Belgi en Noord-Frankrijk gaan wonen.
Voor de Romeinen waren de afspraken met de Germanen voordelig, want de stamleiders leverden grenstroepen om de Rijngrens te bewaken en hielden andere stammen buiten de deur. In onze streken hielpen de Bataven om de in het noorden wonende Friezen in toom te houden. De Romeinen beschouwden de Friezen als vertederende wilden, 'log, traag en ledig, gewend om te eten en te slapen'. De Romeinse schrijver Plinius omschreef ze als de armzaligste schepsels ter wereld, schipbreukelingen die op terpen bij elkaar kleumden en die hun botten verwarmden bij een vuurtje dat ze stookten van gedroogde koeienmest.

De volksverhuizing
In de strenge winter van 406 bevroor
Toen trok een stoet van vijftienduizend Ger- maanse krijgers, vrouwen en kinderen over het ijs Galli binnen. Ze waren uit hun woongebieden verdreven door de Hunnen, die vanuit Centraal-Azi snel waren opgerukt tot aan de Donau. De Hunnen zetten hun tochten voort tot in Galli, waar ze in 451 werden verslagen. De Hunnen waren er de oorzaak van dat vele volken op drift raakten. De volksverhuizingen waren begonnen. Germaanse stammen, naar Galli verdreven, kwamen daar niet tot rust. Ze verlieten het vasteland van Europa en vestigden zich in Engeland. Daar verjoegen ze de Kelten naar het noorden en naar Ierland. Andere Germaanse stammen stootten door naar het zuiden en kwamen terecht in Zuid-Frankrijk, Spanje en Noord-Afrika. Dat betekende in die gebieden het einde van de Romeinse heerschappij. Itali zelf viel in handen van de Germaanse hoofdman Odoaker, die de regerende keizer afzette. Hij stuurde hem letterlijk naar buiten, want het was nog maar een jongen. Deze gebeurtenis had plaats in 476, het jaar van de definitieve ondergang van het Westromeinse Rijk. Vanaf nu waren de Germanen heer en meester in Itali, Spanje, Galli en Brittanni.
Oorlog en weinis vrede
De vijfde eeuw, de eeuw van de grote volksverhuizingen, lijkt een eeuw waarin er alleen gevochten werd. De Germaanse stamhoofden, allen op zoek naar het beste gebied voor hun stam, gunden elkaar het licht in de ogen niet. Maar als een Germaans stamhoofd een stad of een landstreek in handen kreeg, kon het normale leven zich herstellen. Meestal duurde zo'n adempauze niet lang, omdat er wel weer een andere Germaanse vorst was, die roet in het eten kwam gooien.
