De Kelten
woonden in een gebied dat lag tussen de Zwarte Zee en Engeland. In de ogen van Romeinse geschiedschrijvers waren de Keken rovers en plunderaars. In 387 voor Chr. namen ze bijna Rome in en rond 215 voor Chr. waren ze de belangrijkste bondgenoot van Hannibal, toen deze in Noord-Itali aankwam.
Ook vonden de Romeinen dat de Kelten in grote armoede leefden. Maar dat was niet waar. Europa was nog leeg, overdekt met dichte wouden die rijke jachtbuit opleverden. Voor veeteelt en akkerbouw was ruimte in overvloed. Vis, vlees, bier, wijn en honing waren in ruime mate voorhanden. Grieken en Romeinen hadden meer te maken met schaarste aan levensmiddelen dan de Keken. En dan spreken we nog niet eens over de kwaliteit.
Tenslotte zagen de Romeinen de Keken als een primitief volk. Hieronder kun je lezen dat ze opnieuw de plank missloegen.
Edelen, barden, druden en smeden
Een paar Kelten ken je al: Asterix, Obelix, de drude Panoramix, de bard Assurancetourix en het stamhoofd Abraracourcix. De schrijver en de tekenaar van de strip Asterix hebben zich goed op de hoogte gesteld van de Keltische gebruiken. Neem de drude Panoramix. Een drude, de Keltische naam voor priester, is de eikenkenner die de geheimen van deze bomen kent. Voor de Kelten waren eiken het symbool van de duurzaamheid van het leven. Druiden geloofden dat hun ziel zou terugkeren in een ander lichaam. We noemen dit geloof in een nieuw, aards leven rencarnatie. Door dit geloof waren ze in het geheel niet bang voor de dood.
Aan de goden van de natuur offerden ze soms uit hun midden een priester die ze door het lot aanwezen. Zo werd in het Britse Lindow het lijk van een jonge drude teruggevonden, dat in het veen goed bewaard was gebleven.
In de vroegere samenlevingen vormden edelen de bovenlaag. In Athene en Rome waren die edelen grootgrondbezitters. Dat was bij de Kelten niet zo. Grond was niet schaars, dus het bezit van grond was niets bijzonders. De Keltische edelen moesten heldendaden verrichten. Een beroemd voorbeeld zijn de vertellingen van koning Arthur en zijn ridders van de Ronde Tafel. De Ronde Tafel geeft aan dat de koning bijna de gelijke was van zijn ridders: niemand kon aan het hoofd van de tafel gaan zitten.
Barden, de dorpszangers, zorgden ervoor dat al die heldendaden bezongen werden. Welsprekendheid was belangrijk bij de Keken. Barden hielden wedstrijden, waarbij de manier van vertellen minstens zo belangrijk was als het verhaal. Vertelwedstrijden konden weken duren, alleen al omdat bepaalde vertellingen een volle dag in beslag namen. De grote rol die het woord speelde, maakt het des te wonderlijker dat de Keken het schrift niet kenden. We vermoeden dat het verboden was verhalen op te schrijven. De meeste vertellingen zijn pas na 500 opgeschreven.
Naast het woord was het uiterlijk belangrijk. De Kelten waren geweldige ijdeltuiten. Romeinen en Grieken vochten in uniform, maar Kelten trokken vaak felgekleurde vechtpakjes aan. Een overblijfsel van dit gebruik tref je nog aan in de Schotse Hooglanden, waar elke stam of clan zijn eigen ruitpatroon heeft in zijn kilt. Snorren, baarden en haar werden nauwkeurig verzorgd en tatoeages droegen bij aan het unieke uiterlijk van elke Kelt. Hun haar streken ze in met leem, waardoor het recht overeind stond. Bij hun uitrusting hoorde ook een fel beschilderd, eikehout. schild.
