De verspreiding van de islam: de kaliefen
Tijdens het leven van Mohammed was heel Arabi al overgegaan tot de islam. Zijn opvolgers heetten kaliefen, de plaatsvervangers van Mohammed. De kaliefen bleven strijden voor de verbreiding van Mohammeds leer. Ze veroverden al snel het Perzische Rijk en het duurde niet lang voor de Oostromeinse keizers de druk van Arabi aan den lijve ondervonden. De tweede kalief, Omar, was de grootste veroveraar. Net als Mohammed woonde hij in een onaanzienlijk huis, liep in opgelapte kleren en sliep bij zijn soldaten. Hij was streng. Een zoon dit de wet overtrad liet hij in het openbaar afranselen met de zweep.
Omar veroverde rond 650 Palestina. Hij nam Jeruzalem
in en liet er de rotsmoskee bouwen up de plek waar ooit de joodse tempel van Salomo had gestaan. Moslims beschouwen Jeruzalem als een heilige stad, de stad van hun aartsvader. Maar ook voor de joden is Jeruzalem een heilige stad, want hier zou Abraham het verbond met Jahweh hebben gesloten. Joden en islamieten strijden tot op de dag van vandaag om Jeruzalem.
De Omajjaden
In 661 kwam het kalifaat in handen van n familie, de Omajjaden. Tussen 661 en 75o regeerden er veertien kaliefen uit deze familie. Hierdoor ging het kalifaat lijken op het koningschap. De residentie verhuisde van Medina naar Damascus. De heerschappij der Omajjaden was ook het begin van een nieuwe serie veroveringen. In het oosten rukten ze op tot aan de Indus, in het westen nog verder. In 71t stak Tarik de straat van Gibraltar over. Volgens de overlevering verbrandde hij zijn schepen op het strand. Hij riep zijn soldaten toe: 'Achter jullie ligt de zet en vr jullie loert de vijand. Bij Allah, jullie enige redding is je eigen moed en besluitvaardigheid.' Snel veroverden de islamieten Spanje, maar in 73z werden ze door een groot Frankisch leger bij de stad Poitiers verslagen. Europese geschiedschrijvers zagen de slag bij Poitiers als een keerpunt. Zou anders het christendom uit Europa verdwenen zijn? Zou de plaats van de Notre Dame in Parijs en de Dom in Utrecht zijn ingenomen door moskeen met elegante minaretten?
De sociale piramide
Aan de top van de piramide stond de kalief Daaronder volgden de leiders van belangrijke families, hoge geestelijken, handelaren en grootgrondbezitters.
Tot de Arabische bovenlaag behoorden ook mensen die hun vroegere godsdienst hadden afgezworen en moslim waren geworden. Volgens de wet genoten deze nieuwe moslims dezelfde voorrechten als de Arabieren. Het belangrijkste voorrecht was dat ze minder belasting hoefden te betalen dan een niet-moslim. Maar de Arabieren wilden liever niet dat deze nieuwe moslims aan hen gelijkgesteld werden. Een Arabische vrouw trouwde niet graag met een pas bekeerde moslim. In het leger mochten ze geen deel uitmaken van de elite-ruiters, de trots van de Arabische bovenlaag. Een derde klasse vormden de christenen, joden en aanhangers van andere godsdiensten die de Arabieren toestonden. De christenen mochten wel godsdienstoefeningen houden, maar mochten niet hun kerken onderhouden of nieuwe kerken bouwen. Christenen en joden moesten bovendien een kenteken op hun kleren dragen.
De miljoenen arme boeren vormden de grootste groep. Op de onderste trede stonden de slaven, buitgemaakt in vele oorlogen. Slaven vormden een belangrijk handelsartikel. Op de markt waren slaven uit Oost-Afrika, het Verre Oosten en uit Europa te koop. De koran leerde dat wie zijn slaven de vrijheid schonk, een beloning kon verwachten in een volgend leven. Maar dat betekende nog niet dat de islamieten het systeem van slavernij afschaften.
Het leven van de vrouw
De koran leert dat vrouw en man gelijk zijn. Maar een zoon erft twee keer zoveel van zijn vader als een dochter, omdat hij cen gezin moet verzorgen.
In de zevende en achtste eeuw namen vrouwen deel aan de politiek en voerden het bevel over legerregimenten. Er waren ook vrouwelijke schrijvers en componisten. Tegen het eind van de negende eeuw verslechterde de positie van vrouwen, vooral door het overnemen van Perzische en Indische gewoonten. Zo moesten vrouwen buitenshuis gesluierd zijn. Een vrouw moest haar man dienen, de kinderen verzorgen, het huishouden doen en spinnen en weven. Op het platteland moest ze ook het werk op de akker verzorgen.
