Arabische stammen
Een groot deel van de bewoners van het Arabische Rijk leefde in stammen. Het waren bedoeenen, herders, die schapen, geiten en kamelen hielden. Bedoeenen waren nomaden die met hun vee rondtrokken.
De tent van geite- of kameelhaar was het huis van de familie. Een familie leefde met andere verwanten in den kamp. Een aantal groepen van verwanten kon een stam vormen. Een natic of bedoeenenrijk bestond niet. Tent, gereedschap en wapens waren eigendom van de familie. De drinkplaats en de velden voor het vee waren gemeenschappelijk bezit van de stam.
De man was het gezinshoofd en hij had het recht om er verschillende vrouwen op na te houden. Maar een vrouw had het recht te weigeren met een man te trouwen van wie zij niet hield. Behandelde een man haar slecht, dan kon zij hem verlaten en naar haar familie terugkeren. De vrouwen van de bedoeenen waren vrijer dan de vrouwen in de steden.
