In de ogen van de Romeinse machthebbers waren
de Christenen onruststokers. Vervolgingen van christenen waren dan ook aan de orde van de dag. In de derde eeuw na Chr. bereikten ze een hoogtepunt, toen het Romeinse Rijk veranderde in een militaire dictatuur. Het rijk had te maken met Germaanse invallen in het noordwesten en cen steeds sterker Perzisch Rijk aan de oostgrens. De keizers waren generaals dit van de bevolking onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eisten. En christenen met hun prediking van geweldloosheid voldeden daar helemaal niet aan.
Martelaren
Het christendom groeide tegen de verdrukking in. Een geloof waarbij mensen tot elke prijs die ene god bleven vereren, moest wel veel betekenen. Anders lieten ze zich toch niet kruisigen, voor de leeuwen werpen of levend roosteren. Terwijl ze om deze vreselijke straffen te ontlopen alleen maar hun geloof hoefden af te zweren. Maar de christelijke, Romeinse schrijver Augustinus beweerde dat deze martelaren niets bijzonders deden. Een christen zag de dood zonder angst onder ogen, want na zijn dood zou hij in de hemel worden opgenomen. Natuurlijk waren er ook veel mensen in het geheim christen. Anderen kozen bij bedreiging eieren voor hun geld en aanbaden de keizers.
Opstanding uit het graf werd wel door meer godsdiensten gepredikt, maar Jezus' leer en zijn dood werden heel bijzonder gevonden. De bijeenkomsten van de christenen, die bestonden uit maaltijden, waarbij werd gepreekt, gezongen en gebeden brachten innerlijke rust. Steeds meer Romeinen zagen in het christendom een geloof dat niet in strijd was met, maar juist heel goed paste bij de Romeinse mentaliteit.
Toen keizer Constantijn in 312 overging tot het christendom, gaf hij de christenen in het hele rijk geloofsvrijheid. In 384 maakte keizer Theodosius het christendom zelfs tot staatsgodsdienst.
De organisatie van het christendom
Het succes van het christendom was ook te danken aan de strakke organisatie. Vooral de opzieners (episkopoi - bisschoppen) waren belangrijk. Zij hadden de leiding in de gemeente. De andere ambtsdragers, zoals de voorlezers en deurwachters, werden steeds meer gezien als hulpjes van de bisschop. Bisschoppen van grotere steden gingen toezicht houden op bisschoppen van kleinere plaatsen.
Uiteindelijk kreeg de bisschop van Rome de meeste macht. Hij werd paus genoemd, de plaatsvervanger van God op aarde.
De bisschoppen hielden niet alleen toezicht op de gang van zaken in de kerk. Een belangrijk punt
was de uitleg van de bijbel, die oorzaak was van conflicten en misverstanden. Om die uit de weg te ruimen organiseerden de bisschoppen concilies (congressen) waar alle bisschoppen bij elkaar kwamen om te praten over de juiste leer van de kerk. Het belangrijkste concilie was dat van Ni-eau in 325. Daar werd de inhoud van het christelijk geloof vastgelegd.
Gelijkheid voor God
Het christendom predikt gelijkheid voor God. Dat betekent niet dat er geen sociale verschillen meer zijn, maar wel dat die verschillen geen belangrijke rol spelen. Slaven en landheren, mannen en vrouwen, ouders en kinderen zijn allen gelijk voor God. Maar in het dagelijks leven bleven de verschillen tussen arm en rijk bestaan.
