Christendom: het Nieuwe Testament
Het tweede deel van de bijbel, het Nieuwe Testament, is een belangrijk boek voor de christenen, want daarin gaat de voorspelling van de komst van een verlosser in vervulling. Het Nieuwe Testament beschrijft Jezus van Nazareth als de beloofde Messias. In het christelijk geloof wordt Jezus als een verlosser gezien, omdat hij, de enige zoon van God, stierf voor de zonden van de mensheid.
Jezus was een rabbi, ten leraar, die rondtrok en de wetten aan zijn leerlingen en belangstellenden uitlegde. Zijn lessen gaf hij in de vorm van leerzame verhalen. Zijn nuchtere, scherpe opmerkingen kwamen vaak hard aan. 'Moeten overspelige vrouwen gestenigd worden?', vroeg men hem. 'Wie zonder zonde is, werpt de eerste steen', was zijn antwoord. Hij waarschuwde tegen hebzucht, predikte liefde, trouw en vergevingsgezindheid en genas zieken. Zijn groep volgelingen groeide. Jezus' optreden viel rond 3o na Chr., in de tijd dat Palestina een deel was geworden van het Romeinse Rijk. 'Zal Jezus de Romeinse onderdrukking beindigen? Of is hij een onruststoker dit weer een bestraffing door de Romeinen zal uitlokken?' vroegen de bezorgde leiders van het joodse volk zich af Jezus werd beschuldigd, gevangengenomen en uitgeleverd aan de Romeinen. Een Romeinse ambtenaar, Pilatus, zag geen kans hem te beschuldigen, maar hij vond het te riskant hem tegen de zin van de hogepriesters vrij te laten. Jezus werd gekruisigd en begraven in het graf van een vriend. Het Nieuwe Testament vertelt dat hij uit de dood werd opgewekt en verscheen aan zijn leerlingen. Na veertig dagen werd hij in de hemel opgenomen.
De verspreiding van het christendom
Jezus had twaalf leerlingen van wie Petrus de oudste en belangrijkste was. Jezus had zijn leerlingen de opdracht gegeven zijn leer over liefde, vergevingsgezindheid en afzien van hebzucht te verspreiden. Aanvankelijk vormden de volgelingen van Jezus een kleine groep. Zij gingen zich christenen noemen om duidelijk te maken dat ze volgelingen van Jezus Christus waren. Christus betekent 'de door God aangewezen koning'. Christenen werden streng vervolgd, want in de ogen van de joodse priesters waren ze een bedreiging voor de rust en de orde in Jeruzalem. Toch groeide liet aantal volgelingen, zowel in als buiten Jeruzalem. Een jongeman uit Griekenland. een zekere Saulus, vroeg bij de hogepriesters toestemming om de christenen in Damascus te mogen vervolgen. Dat mocht, maar op weg naar Damascus werd hij bekeerd. Van het ene op het andere moment veranderde hij van christenvervolger in de belangrijkste verspreider van het christendom. Hij nam een nieuwe naam aan: Paulus.
Van sekte tot staatsgodsdienst
Hoe kon het christendom in cen paar honderd jaar uitgroeien tot een wereldgodsdienst? Oorspronkelijk was het niet meer dan een kleine groep, een sekte, binnen het jodendom: en het jodendom was niet meer dan n van de vele godsdiensten die het Romeinse Rijk kende.
In de eerste plaats leefden er veel joden buiten Palestina. Deze joden kwamen nu en dan in Jeruzalem om belangrijke godsdienstige feesten bij te wonen. Vooral onder deze groep verspreidde het christendom zich snel. En eenmaal bekeerd overtuigden ze in hun eigen woonplaats andere mensen.
Ten tweede gingen Petrus en Paulus prediken onder niet-joden. Het christendom was volgens hen
een godsdienst voor alle mensen op de hele wereld. Iedereen kon christen worden: slaven, weduwen, wezen, vondelingen, iedereen was welkom. De christenen vielen op, want ze hadden een afwijkende levenswijze. Ze gingen niet naar de spelen, de badhuizen of het theater en ze weigerden de Romeinse keizers als god te vereren. Hun sobere levenswijze, hun naastenliefde, zorg voor armen, zieken en vreemdelingen wekten bewondering. De boodschap van naastenliefde en gelijkheid voor God sprak de armen en de slaven aan. Maar ook rijke en ontwikkelde mensen lieten zich bekeren. Zij vonden de leefwijze van de christenen veel menswaardiger dan dit van de massa's dit zich in de arena's aan bloederige schouwspelen, zoals gladiatorengevechten, overgaven.
