Het monothesme
Christendom en islam zijn beide monothestische godsdiensten. Het monothesme erkent slechts n god. Het idee dat er maar n god is komen we al tegen bij de Grieken, maar daar was het geen volksgeloof. Het was een idee waar filosofen als Plato en Socrates graag over praatten en nadachten. Bewoners van het Arabische schiereiland kenden ook het idee dat er slechts n god was. Maar in de oudheid komen we de verering van n god het meest uitgesproken tegen bij de Isralieten. Bij hen was de verering van n god. Jahweh, de volksgodsdienst. We kennen de godsdienst van Isralieten uit hun heilige boek, de thora.
Isral: het uitverkoren volk
De Isralieten zijn in de wereldgeschiedenis het eerste volk met een monothestische godsdienst. Dit volk woonde vanaf zoo voor Chr. in Palestina. De Isralieten zien zichzelf als afstammelingen van aartsvader Abraham, die een verbond sloot met zijn God, Jahweh. De Isralieten geloofden dat Jahweh hen als zijn uitverkoren volk beschouwde. Tegelijk stelde Hij hun geloof voortdurend op de proef Lange tijd leefden de Isralieten in ballingschap in Egypte. Mozes, hun leider, bracht hen naar Palestina, naar het Beloofde Land, waarvan ze dachten dat Jahweh het voor hen had bestemd. De tocht was ten verschrikking en duurde veertig jaar. Maar ondanks alle rampspoed bleven de Isralieten Jahweh trouw. Een hulpmiddel daarbij waren de Tien Geboden, die Mozes van Jahweh ontving. De twee eerste geboden predikten de liefde tot Jahweh en het afzweren van andere goden. En dat was moeilijk in een omgeving waar alle andere volken
kie. f polythestische gods, risten bel,
Behalve de geboden stelde Mozes het priesterschap in. Priesters kregen veel macht. Zij zalfden bijvoorbeeld de koningen dit over Isral regeerden. En ze veegden hen de mantel uit als ze deden wat 'kwaad was in de ogen van Jahweh'. Het bestuur van het land was dus een godsdienstige zaak. Als bestuur en religie veel met elkaar te maken hebben, spreken we van ten 'theocratie'.
Jodendom en christendom
Rond 90o voor Chr. viel Isral uiteen. De noordelijke stamleiders scheidden zich af en stichtten Isral. In het zuiden ontstond Juda, waar de inwoners joden heetten. Isral werd een prooi van de Assyrirs. In 589 voor Chr. veroverden de Babylonirs het zuidelijke Juda en namen duizenden gijzelaars mee naar Babylon. In Babylon zochten veel joden troost in hun oude geloof en leefden naar de geboden en wetten, zoals ze ooit door Mozes waren gegeven. Ook werd de joodse overlevering op schrift gesteld en geordend. Zo ontstond in de periode van de ballingschap en vlak erna het eerste bijbelboek, dat we her Oude Testament noemen. Nieuw daarin was de verwachting dat Jahweh zijn enige zoon zou sturen om de mensen te verlossen. Die verwachting leeft nog steeds voort in het joodse geloof Christenen zien in Jezus van Nazareth de beloofde verlosser, de Messias.
Toen Babylon in 537 voor Chr. in handen viel van de Perzen, gaf de Perzische koning Cyrus de joden toestemming terug te keren naar Jeruzalem. Stad en tempel werden herbouwd en hun leider Nehemia versterkte de joodse godsdienst. De nieuwe vrijheid duurde niet lang. Grieken, Syrirs en Romeinen onderwierpen achtereenvolgens Palestina.
