Vijftienhonderd jaar Romeinse
geschieden is
Het Romeinse Rijk heeft meer dan duizend jaar bestaan, van 753 voor tot 476 na Chr. In die lange periode onderscheiden we drie verschillende staatsvormen: het koningschap. de republiek en het keizerrijk. Tussen 753 en 510 regeerden er zeven koningen over Rome. Vanaf 600 werden die aangesteld door de Etrusken die ten noorden van Rome woonden.
De republiek
In 510 werd de laatste Etruskische koning verjaagd. Rome werd een republiek en zou dat tot 27 voor Chr. blijven. De eerste tweehonderd jaar van de republiek werd Rome geteisterd door verdeeldheid. De oude Romeinse families, de patricirs, weigerden de macht te delen met Romeinse families die pas later in Rome waren gekomen, de plebejers. Deze partijstrijd eindigde pas in 287 voor Chr., toen de plebejers gelijke rechten kregen. Nu konden plebejers ook het hoogste ambt van consul bekleden.
Rome behaalde steeds meer militaire successen. Rome overvleugelde de Etrusken en had rond 300 voor Chr. Midden-Itali onderworpen.
Korte tijd daarna werden de Griekse kolonin in het zuiden van Itali onderworpen (275 voor Chr.). In de Punische oorlogen tegen Carthago (264-146 voor Chr.) verwierf Rome het westelijk deel
van het Middellandse Zeegebied. Tegelijkertijd onderwierpen de Romeinen Macedoni (Griekenland en de westkust van Klein-Azi) zodat ze zich vanaf 146 voor Chr. heer en meester konden noemen van het hele Middellandse Zeegebied. Rond wo voor Chr. kreeg Rome een leger waarin beroepssoldaten dienst deden. Hierdoor nam de macht van de generaals toe.
Onderlinge twisten en opstanden van bondgenoten in Itali stortten Rome in een serie burgeroorlogen (90-34 voor Chr.). Julius Caesar slaagde er in 48 voor Chr. in alle macht aan zich te trekken. Het lukte zijn adoptiefzoon Augustus om de macht te behouden. Hij versloeg zijn concurrent Marcus Antonius (34 voor Chr.) en voerde het keizerschap in (27 voor Chr.). Inmiddels waren Klein- Azi, Galli en Egypte ingelijfd.
De keizertijd
Tot aan de ondergang van het rijk zouden keizers over Rome regeren, vijf eeuwen lang. De eerste vijf keizers kwamen uit het Julische huis, de familie van Julius Caesar. De laatste van de Julirs was Nero. De geschiedenis heeft hem afgeschilderd als een boosaardig heerser, die dood en verderf zaaide onder zijn tegenstanders en die zelfs zijn moeder en zijn leermeester liet ombrengen. Om inspiratie te krijgen voor het dichten van een lied over een brand, liet hij de armenwijk van Rome in vuur en vlam zetten. Toch had Nero ook verdiensten. Met behulp van militaire adviseurs deed hij zijn best om de vrede in de provincies te handhaven.
In deze periode werd het rijk niet verder uitgebreid. Na Nero's dood (68 na Chr.) volgde een diepe crisis, waarin Vespasianus de macht greep. Hij sloeg in Palestina een grote opstand van de joden neer en verwoestte hun tempel in Jeruzalem. Zijn zoon Domitianus vestigde een waar schrikbewind.
Er volgde een periode, waarin een keizer telkens zijn opvolger adopteerde. Deze periode van de adoptiefkeizers (98- 180 na Chr.) begon met Trajanus, die geen Romein was, maar een Spanjaard. Hij veroverde nieuwe gebieden: Daci, Mesopotami en Engeland. Nu had het Romeinse Rijk zijn grootste omvang bereikt. Het was ongeveer even groot als de huidige Verenigde Staten.
Ook zijn opvolger Hadrianus was een Spanjaard. Hij zag dat verdere veroveringen het rijk niet sterker, veiliger of welvarender zouden maken. Hij sloot vrede met de Parthen en gaf Mesopotami terug. Hij bewonderde de veelheid aan culturen in zijn rijk en maakte reizen naar Spanje, Egypte en Griekenland. Overwonnen volken mochten hun taal, zeden en gebruiken in ere houden. Ook bemoeiden de Romeinen zich niet met de godsdienst van hun onderdanen. De tijd van de adoptiefkeizers wordt beschouwd als de bloeitijd van het Romeinse Rijk. In de hele bekende wereld hadden de Romeinen vrede gesticht, de Pax Romana.
In de derde eeuw raakte het rijk in ver-
val. De keizers gingen zich te buiten aan enorme militaire expedities en vestigden een despotisch bestuur. De druk op de grenzen in het oosten (Perzi) en het noorden werd steeds groter. Deze keizers steunden op het leger en worden daarom 'soldatenkeizers' genoemd. De laatste keizer die probeerde orde op zaken te stellen was Constantijn de Grote. In het begin van de vierde eeuw (3o6-337) verplaatste hij de zetel van de keizer van Rome naar Constantinopel.
De ondergans
Toen keizer Theodosius in 39s stierf werd het rijk onder zijn beide zonen verdeeld. In het oosten zou Constantinopel nog tot 1453 hoofdstad blijven van een steeds kleiner wordend Oostromeins Rijk. Een andere veelgebruikte naam voor Constantinopel is Byzantium. Vandaar dat het Oostromeinse Rijk ook bekend is onder de Griekse naam Byzantijnse Rijk.
Het westelijk deel raakte steeds sterker in verval. Plaatselijke heersers maakten de dienst uit en Germaanse stammen die het rijk binnentrokken hadden vrij spel. In 476 kwam officieel het einde, toen soldaten de laatste keizer afzetten. Rome, eens een wereldstad, telde in 55o nog slechts vijftigduizend inwoners en grote delen waren tot spookstad geworden.
Hoe het Westromeinse Rijk binnen een eeuw uit elkaar kon vallen blijft raadselachtig. De ineenstorting van de economie is waarschijnlijk de belangrijkste reden geweest. Ten eerste moesten
zware lasten worden opgebracht om de grenzen te verdedigen. Belangrijker was nog dat steeds meer rijken zich uit de steden terugtrokken op hun landgoederen. Daardoor verloren de steden aan economische kracht. De slecht verdedigde steden werden een gemakkelijke prooi voor een nieuw volk dat Europa binnentrok: de Germanen.
In het Romeinse Rijk had zich een nieuwe godsdienst ontwikkeld: het christendom. Vooral in de derde eeuw had deze godsdienst een sterke groei doorgemaakt en was de betekenis in het maatschappelijk leven enorm gegroeid. In 312 werd het christendom in gehele rijk toegelaten. Daarna zou het christendom uitgroeien tot een wereldgodsdienst. De ontwikkeling van het christendom bekijken we in hoofdstuk 5, samen met de ontwikkeling van die andere wereldgodsdienst: de islam.
