Aan de inrichting van zijn huis besteedde de gemiddelde Romein niet veel aandacht. Een huis was er om te eten en te slapen. Het leven speelde zich op straat af op de pleinen, in de stadions, bij de spelen. Hoewel rijke Romeinen ook weinig thuis waren, hechtten ze wel belang aan een mooi huis. Ze richtten het met zorg in om te tonen dat ze veel geld en een goede smaak hadden.
Door de komst van duizenden berooide boeren, de proletarirs, groeide Rome snel. Het leven werd er niet prettiger op door de stank van afval, die gezinnen en bedrijfjes verspreidden. Vooral in de zomer was Rome een onleefbare hel. Wie het kon betalen trok zich terug op een fraai buitenhuis in de heuvels van Toscane, of nog verder in de provincie. Zo waren de Romeinen de eersten in de geschiedenis die zich afwendden van de vieze steden. Kleine handelaren en ambachtslieden hoefden aan een buitenverblijf niet te denken. Om van de proletarirs maar te zwijgen.
Eten
Voor de armen was schraalhans keukenmeester. Op markten zetten ze hun schaarse geld om in vis of groente, zoals koolrapen. komkommers of knollen. Ook deelde de staat gratis brood uit, als een soort sociale steun.
Bij de rijken was de tafel beter verzorgd. Oesters, mosselen en veel gevogelte, zoals Vlaamse gaaien, lijsters, duiven, zwaan tot struisvogels toe. En dan was er nog gerookt spek van Belgische everzwijnen, papegaaivis van Kreta, dadels van de Krim, vijgen uit Libanon. Of het allemaal even lekker was, is de vraag. Vooral in de keizertijd ging het de rijke Romeinen om exclusiviteit. Hoe verder je het haalde, des te lekkerder het was. Duur waren die maaltijden wel. Een etentje voor honderd gasten kostte al gauw honderdvijftigduizend sestertin, zeg maar vijftienduizend gulden.
Slaven
Slavernij kwam in de oudheid overal voor; in
Mesopotami, bij de Grieken en ook bij de Ro- meinen. De Romeinen hebben een slechtere reputatie dan de Grieken. Na de onderwerping van Griekenland werden in enkele jaren honderdvijftigduizend slaven naar Rome gebracht. Bij de verwoesting van Carthago kwamen er vijftigduizend slaven op de markt en uit Galli kwamen er jaren achtereen honderdduizenden. De economie van het Romeinse Rijk was een pure slaveneconomie, want wie werkte was in de meeste gevallen slaaf. De rijkdom van het Romeinse Rijk was op hun werkkracht gebaseerd.
Eenmaal is er een grote slavenopstand geweest: in het jaar 73 voor Chr. In een gladiatorenschool braken een paar honderd gladiatoren uit die de wapenkamer van de 'school' plunderden. Gladiatoren waren slaven die getraind werden voor bloedige spelen die in Rome gehouden werden. In de arena's vochten ze op leven en dood met wilde dieren en met elkaar.
Gladiatoren waren dus ervaren vechters. De uitgebroken slaven overmeesterden een nabijgelegen legioen van zesduizend man. De slavenleider, Spartacus, wilde zich vanuit Zuid-Itali een weg banen naar de Alpen. Deze opstand was heel bedreigend voor Rome omdat tienduizenden slaven zich bij Spartacus aansloten. Ze vochten als leeuwen, omdat ze immers niets te verliezen hadden. Maar het lukte Spartacus en zijn gladiatoren niet om de Alpen te bereiken. Zelf sneuvelde hij en om een voorbeeld te stellen kruisigden de Romeinen zesduizend opstandelingen langs de Via Appia, een tweehonderd kilometer lange weg die Rome met het zuidelijker gelegen Capua verbindt.
De bloedige gladdatorenspelen waren volksvermaak nummer n in Rome. Ze vormden het hoofdprogramma van de spelen. Als opwarmer werden vaak dierengevechten gehouden, waar bijvoorbeeld honderd leeuwen vochten tegen achttien olifanten, vijftig beren, wat neushoorns en een nijlpaard. Er was een hele organisatie nodig om al deze dieren te vangen, te vervoeren, te voederen, af te richten en om na afloop van de festiviteiten de kadavers af te voeren. Na de dierengevechten kwamen de gladiatoren in de arena, die vochten tot de dood erop volgde. Afkeer van dit soort evenementen bestond nauwelijks. Alle Ro-
meinen van hoog tot laag smulden ervan. Senato-
ren en proletarirs, de keizerlijke lijfwachten en
de Vestaalse Maagden keken ogen uit en slo-
ten weddenschappen af op gladiatoren. Elke keer zat het Colosseum - een stadion, speciaal gebouwd voor de spelen - vol.
Het is verbijsterend te zien dat knappe bestuurders als de Romeinen zich zo lieten gaan. Toch hoorden de spelen bij de Romeinen. Ze legden honderden aquaducten aan om steden van schoon water te voorzien, tienduizenden kilometers goede wegen naar de meest onherbergzame streken en tegelijkertijd klapten ze zich de handen stuk bij bloedige dieren- en mensenspelen.
