Julius Caesar
In de burgeroorlogen wist Caesar, een neef van Marius, veel macht te verwerven. De jonge Gajus Julius Caesar was bij het Romeinse publiek erg populair. Hij was aedile, de magistraat die onder andere zorgde voor de organisatie van de spelen. Hij wist precies hoe hij een menigte moest toespreken en die naar zijn hand kon zetten. De feesten die hij organiseerde om stemmen te winnen, sloegen alle records. Al zijn geld ging hier aan op en hij raakte in grote schulden. Maar zijn royaal gedrag was niet onverstandig. Hij had vrienden gemaakt, die hem steunden toen hij zich met het politieke spel ging bemoeien. Caesar wist zo veel mensen op zijn hand te krijgen. Hij was een man van het volk.
In die tijd waren twee generaals, Pompejus en
Crassus, oppermachtig in Rome. Met hen sloot Caesar een verdrag. Samen hadden de drie mannen zoveel aanhangers, zoveel clinten, dat zij het hele Romeinse Rijk beheersten. De andere kopstukken van de senaat konden niet verhinderen dat de macht hun uit handen werd genomen. In feite vestigden de drie mannen een militaire dictatuur.
Caesar werd consul en kreeg het bevel over een leger, waarmee hij Galli, het huidige Frankrijk en Belgi, veroverde. De grens kwam te liggen langs de Rijn, zodat ook het huidige Zuid-Nederland onder Romeins bestuur kwam. Langs de Rijn legde het Romeinse leger wegen, vestingen en forten aan. Bij kruispunten van wegen en bij forten gingen kooplieden wonen, waardoor plaatsen als Maastricht, Heerlen, Nijmegen en Utrecht ontstonden.
In Galli sleepte Caesar een geweldig grote krijgsbuit in de wacht. Daardoor kon hij nog meer stemmen kopen en nog meer aanhangers voor zich winnen. Ondertussen was Crassus gesneuveld en werkte Pompejus weer samen met de senaat. Pompejus en de senaat waren bang dat de populaire Caesar te veel macht zou krijgen. Ze riepen hem terug naar Rome. Caesar kwam, maar met zijn leger en pleegde een staatsgreep. Het duurde een paar jaar voor hij de touwtjes stevig in handen had, maar toen was hij ook 'dictator voor het leven'.
Dat gaf hem enorme bevoegdheden om hervormingen door te voeren. Hij beperkte de graanuitdelingen die in Rome gehouden werden en stuurde duizenden werklozen naar de provincies. Daar kregen ze een eigen boerderij. Ook gaf hij burgerrecht aan bepaalde steden in het rijk om zo de steun van de onderworpen steden te krijgen. Buiten Rome liet hij op staatskosten moerassen droogleggen om er huizen te bouwen. Hij werkte met strenge bouwvoorschriften; je kon merken
dat tijd aedile geweest was. Ook veranderde hij de
kalender. In plaats van een maan jaar van 355 dagen voerde hij onze kalender in die 365 dagen telt. Deze verandering is tot in de huidige tijd gehandhaafd.
Bij al deze ingrijpende maatregelen trok hij zich weinig aan van de senaat. Dat leverde hem veel vijanden op. Op de vijftiende maart van het jaar 44 voor Chr. werd hij door senatoren gedood. Zijn dood veroorzaakte grote woede bij zijn soldaten en bij veel Romeinse burgers. Met brandende fakkels trok de woedende massa naar de huizen van de moordenaars. Een nieuwe burgeroorlog was uitgebroken.
liet begin van de keizertijd
Uit die burgeroorlog kwam uiteindelijk Caesars pleegzoon Octavianus als overwinnaar, nadat hij in 34 voor Chr. zijn concurrent Marcus Antonius had verslagen. Met de regering van Octavianus begon in Rome een nieuwe periode. De republiek bestond niet meer; alle macht lag nu in handen van n persoon. Maar de dood van Caesar had aangetoond dat het levensgevaarlijk was om je alleenheerser te noemen. Octavianus was zo slim zich geen dictator te noemen, hoewel hij het in feite wel was. Hij had een trouw leger achter zich en geen enkele politicus durfde het tegen hem op te nemen. Eerst zette hij zijn vijanden uit de senaat. Tegen de overblijvende senatoren was hij een en al vriendelijkheid. In plaats van kritiek op hem te leveren, gaf de senaat hem de eretitel Augustus, de verhevene, de eerbiedwaardige. Augustus noemde zich ook Caesar, naar zijn grote voorganger en familielid. Ook de heersers na hem deden dat. Zo werd Caesar synoniem voor heerser. Wij vertalen het met keizer, in het Duits met Kaiser en in het Russisch tsaar. Rome was nu een keizerrijk. En dat bleef het vijf eeuwen lang, tot aan de ondergang.
