Het nieuwe leger
Rome was een wereldrijk en had steeds meer soldaten nodig om zijn grenzen te beschermen. Aan de noordgrens vielen Germaanse stammen binnen en in Galli leden de Romeinen zware verliezen tegen de Gallirs. Burgerlegers leverden niet voldoende soldaten. Er moest snel wat gedaan worden. De consul van het jaar 107 voor Chr., Gajus Marius, stelde voor om proletarirs op te nemen in het leger. Daarmee kon hij twee vliegen in een klap slaan: voldoende soldaten en afname van het grote aantal proletarirs in Rome.
Marius gaf de proletarirs een militaire opleiding, een wapenrusting en beloofde hun na een diensttijd van vijftien jaar een stukje grond. Het leger bestond niet meer uit burgers die het een eer vonden hun land te mogen verdedigen. maar uit beroepssoldaten die een beloning in de wacht wilden slepen. Doordat soldaten lang in dienst bleven, ontstond er een hechte band tussen de generaal en zijn legioen. De soldaten waren trouw aan de generaal. Ze waren ook van hem afhankelijk. De generaal was de patroon, de soldaten zijn clientle.
De generaals kregen, omdat ze een trouw legioen onder hun commando hadden, steeds meer politieke invloed. Onderlinge twisten tussen politici en generaals stortten Rome vanaf go voor Chr. in een serie burgeroorlogen.
