Carthago stichtte een nieuwe kolonie in Spanje. Nieuw Carthago. Dat beviel de Romeinen niet. Als buffer tegen Carthago voegden ze de eilanden Sardini en Corsica aan hun rijk toe. En om Carthago uit te dagen sloten ze een verdrag met Saguntum, een stadje op een steenworp afstand van Nieuw Carthago.
De jonge Carthaagse veldheer Hannibal liet dat niet op zich zitten en hij nam Saguntum in. Om voor altijd korte metten te maken met de Romeinen trok Hannibal in 217 voor Chr. met een sterk leger uit Spanje over de Pyreneen, de Rhne en de Alpen. De tocht over de Alpen kostte Hannibal duizenden mannen en zesendertig van zijn zevenendertig olifanten. Toen stond hij in Noord-Itali met een zwaar gehavend leger. In Noord-Itali woonden Gallirs. Een afstraffing door de Romeinen lag hen nog vers in het geheugen. Ze sloten zich dus aan bij Hannibal, die de Romeinen verpletterende nederlagen toebracht. In de slag bij Cannae sneuvelden maar liefst zestigduizend Romeinse soldaten.
Rome kon in eerste instantie weinig terugdoen. Maar Hannibal vocht ver van huis en was afhankelijk van versterking vanuit Carthago. Hij kon de oorlog niet winnen. Rome sloot de wegen naar Carthago af en viel ondertussen de stad aan. Hannibal moest terug naar huis en werd in 202 voor Chr. in de buurt van Carthago verslagen. In 146 voor Chr. maakten de Romeinen Carthago met de grond gelijk.
Hannibal had op papier een machtige bondgenoot: het Griekse Macedoni. Hoewel Macedoni geen vinger uitstak om Hannibal te helpen, vonden de Romeinen dit reden genoeg om ook Macedoni en de rest van Griekenland te onderwerpen. Na een eeuw oorlogvoeren was Rome in 146 voor Chr. heer en meester in het hele Middellandse Zeegebied. Spanje, Griekenland, Noord-Afrika en Zuid-Frankrijk werden nieuwe provincies.
Gevolgen van de oorlogen
De uitbreiding van de Romeinse macht had grote gevolgen voor de nieuwe provincies. Ze kwamen onder rechtstreeks bestuur van Rome. Uit Rome kwam een proconsul die soms jarenlang in functie bleef De provincies werden verpacht, zeg maar verhuurd aan belastingpachters, die de belastingen in zo'n provincie mochten ophalen. Vaak staken ze een flink deel in hun eigen zak. Je begrijpt dat dit een winstgevende zaak was. Ook handelaren, aannemers, bankiers en organisatoren van spelen verdienden in de provincie grote hoeveelheden geld. De legers en steden die de Romeinen verslagen hadden, brachten een stroom van tienduizenden slaven naar Itali.
Voor Rome de uitbreiding van het rijk ook
grote gevolgen. Uit de nieuwe provincies kwam goedkoop graan. Veel Italiaanse boeren konden er niet tegen concurreren. Ze verkochten hun bezit aan grote hereboeren die er wijngaarden en boomgaarden aanplantten.
De berooide boeren trokken naar Rome. Daar noemden ze de nieuwe bewoners 'proletarirs'. 'Proles' betekent kroost; dus mensen die niets anders dan kroost (=kinderen) bezitten. Toch bezaten ze als Romeinse burgers allen iets dat geld waard was: hun stemrecht in de volksvergadering. De komst van de vele plattelanders betekende dan ook een uitbreiding van het systeem van een patroon met een clientle. Sterker dan ooit bepaalde dat het maatschappelijk leven. Proletarirs vormden een nieuw probleem voor Rome. Overal verrezen bouwvallige woonkazernes.
Stinkende volkswijken koekten als zweren
aan de rand van de stad; kortom: de stad werd verpest en de volksvergadering werkte nog minder dan voorheen.
De Gracchen
Twee broers, Tiberius en Gajus Gracchus vonden dat er wat gedaan moest worden aan de situatie van de armen. Ze zagen in het grootgrondbezit de oorzaak van alle ellende. De grond, zo redeneerden ze, was niet van de grootgrondbezitters, maar van Rome. De Gracchen pleitten ervoor dat de grootgrondbezitters onteigend zouden worden om de boeren weer land te kunnen geven. De grootgrondbezitters voelden hier natuurlijk weinig voor. Het liep dan ook slecht af met de gebroeders. Ze werden vermoord.
