Dreigde er voor Rome gevaar dan benoemden de
consuls een dictator die zes maanden tang de baas was. Een dictator had geen collega's en zijn macht was onbeperkt.
Magistraten werden niet betaald, zodat alleen de rijkste burgers zich verkiesbaar konden, stellen. Zonder geld of bezit was een politieke carrire in Rome uitgesloten. Dat betekende nog niet dat iedereen met geld consul kon worden. Afkomst was ook heel belangrijk. Alleen zonen uit oude, rijke families kwamen in aanmerking voor een ambt. Families die in de loop van de tijd in Rome waren beland konden een politieke loopbaan wel vergeten. Ook als ze geld hadden. Dat zette natuurlijk kwaad bloed.
Patricirs en plebejers
De oude families, de patricirs, zagen Rome als hun eigendom. Ze hadden de stad gerfd van hun patres, van hun vaders. De nieuwkomers heetten het plebs en zij, de plebejers, bleven vreemdelingen. Ze mochten een zaak beginnen, een werkplaats openen en handel drijven; maar, zo dachten de patricirs, ze konden toch niet verwachten dat ze welkom waren in het bestuur. De plebejers waren hier niet tevreden mee. Ze eisten een eigen volksvergadering die voor hun belangen zou opkomen. Na verloop van tijd slaagden ze erin meer invloed te krijgen. De patricirs stemden er in 494 voor Chr. in toe, dat de plebejers een eigen volksvergadering kregen. Deze vergadering wees volkstribunen aan die heel machtig waren. Ze konden maatregelen van de magistraten tegenhouden, als die nadelig waren voor de plebejers. Ze hadden het veto (-ik verbied). Daaruit blijkt dat het plebs een belangrijke bevolkingsgroep was geworden. Maar het zou tot z87 voor Chr. duren voordat plebejers alle ambten, dus ook het ambt van consul, mochten vervullen. Als ze tenminste geld hadden.
Plebejer, een aantal ambten hadden, bekleed,
konden nu ook in de senaat komen. o, e zagen al dat de senaat in Rome de meeste macht had. Omdat senatoren hun hele leven in de senaat bleven, konden ze grote invloed op het bestuur uitoefenen. De consuls moesten altijd rekening houden met de wensen van de senatoren. Bovendien bekrachtigden ze alle besluiten van de volksvergaderingen. De rijke plebejers waren nu doorgedrongen tot het centrum van de macht.
De sociale klassen
Als we de sociale piramide bekijken, zien we dat de senatoren en de grootgrondbezitters uit de oude families de rijkste en machtigste groep waren. Bijna alle belangrijke magistraten en generaals waren uit deze groep afkomstig. Zij vormden de groep van de patricirs. Onder hen stonden de rijke kooplieden, bankiers en reders. Zij hadden veel geld maar stamden niet uit een adellijk geslacht. Voor hen bleef het moeilijk om tot de elite door te dringen. Zelfs deze rijkaards waren van de topgroep afhankelijk. Dat gold natuurlijk ook voor artsen, advocaten en ambachtslieden. De grootste groep was die van de kleine werkman en de armen. Maar die waren nog beter af dan de slaven, die het eigendom waren van hun heer. Slaven konden wel allerlei beroepen uitoefenen, leraar bijvoorbeeld.
Patroon en clint
Als je het verhaal over het bestuur van Rome leest, lijkt het of de volksvergaderingen veel invloed hadden. Zij stelden bijvoorbeeld de ambtenaren aan, die het Romeinse Rijk bestuurden. Maar in de praktijk ging het anders.
In de volksvergaderingen zaten voor het grootste deel arme Romeinen, die bij voorbaat al wisten dat zij nooit een ambt zouden kunnen vervullen. Of ze hadden geen geld, of ze konden niet lezen en schrijven. Het enige wat ze bezaten, was hun stemrecht in de volksvergadering. En dat maakte de arme Romeinen interessant voor de rijken, die hun stem graag wilden kopen. Daarom gaven ze ambachtslieden opdrachten en zorgden ervoor dat handelaren een mooi plekje op de markt kregen. En wie echt arm was kreeg te eten en een dak boven het hoofd.
