Wetenschap
De Grieken hebben een grote naam in de wetenschap. Een historicus heeft wel eens beweerd dat dat komt omdat de Grieken het woordje 'waarom' zo graag gebruikten. Waarom regent het? Waarom wordt het dag en dan weer nacht? Waarom wisselen de seizoenen?
Er is een tak van de wetenschap die alleen maar vragen stelt: de filosofie. Het Griekse woord filosofie betekent vriendschap, liefde voor het weten, voor de wijsheid.
De grootste Griekse filosoof was Socrates. Hij leefde van 469 tot 399 voor Chr. in Athene. Hij wilde graag weten wat moed was, en eerlijkheid en rechtvaardigheid. Als je wist welke handelingen juist en rechtvaardig waren, kon je ernaar leven. Deugd en rechtvaardigheid waren niet aangeboren, ze konden worden geleerd. Socrates had grote invloed op zijn jonge leerlingen. In 399 werd hij beschuldigd van het bederven van de jeugd met zijn vragenstellerij. Socrates vond dit onzinnige beschuldigingen. Omdat hij niet in ballingschap wilde gaan, werd hij gedwongen tot het drinken van de gifbeker.
Zijn leerling Plato heeft de gesprekken die Socrates met zijn leerlingen voerde, opgeschreven. Hij was een volgeling van Socrates, maar verschilde ook met zijn leermeester van mening. Volgens Socrates kon iedereen die zijn verstand gebruikte, eerlijk en deugdzaam leven. Volgens Plato was dat niet zo simpel. Eerlijkheid en deugd waren ideen die buiten de mens bestonden. De mens kon en moest proberen 'zo eerlijk mogelijk' of 'zo rechtvaardig mogelijk' te leven.
Aristoteles was een leerling van Plato. Volgens hem was wetenschappelijk onderzoek de enige methode om bij de waarheid te komen. Waarnemingen waren voor hem heel belangrijk. Heel
nauwkeurig bestuurde en beschreef de na-
tuur. Hij deelde de dieren in gewervelde en ongewervelde dieren in en voor elke soort maakte hij weer een onderverdeling. Aristoteles was in staat alle verzamelde feiten te ordenen in groepen; hij bracht ze onder in een systeem.
De vragen die Griekse filosofen tweenhalfduizend jaar geleden opwierpen, worden ook nu nog gesteld. Vandaar dat de ideen van Socrates, Plato, Aristoteles en andere Griekse filosofen nog altijd worden bestudeerd.
Maar Grieken danken hun naam in de wetenschap niet alleen aan de vragen die ze stelden. Ze gaven ook antwoorden. Als je een satellietbeeld bekijkt, zie je meteen dat de aarde rond is. Rond 500 voor Chr. wisten de Grieken dit ook al; zonder satelliet, zonder ruimtefoto's, zelfs zonder telescopen. Op figuur 24 zie je dat Eratosthenes zelfs kon uitrekenen wat de omtrek van de aarde was. En ook hoe hij dat deed. Dat de aarde rond was stond voor de meeste Griekse geleerden wel vast. Aristarchus kwam met een nog vreemder theorie. Hij beweerde dat de aarde om de zon draaide. Terwijl het toch duidelijk was dat de zon om de aarde draaide. Pas achttienhonderd jaar later bleek het gelijk van Aristarchus.
Democritus schreef dat de wereld was opgebouwd uit lege ruimte en kleine deeltjes, die ondeelbaar zijn. Die deeltjes noemde hij atomen, wat in het Grieks ondeelbaar betekent (zie figuur 25).
Hippocrates was een geleerde die beweerde dat ziekten natuurlijke oorzaken hadden. Ziekte was geen wraak van de goden, nee, mensen aten bedorven voedsel, vatten kou of kregen hoofdpijn van de zon. Hij bestudeerde het menselijk lichaam en het gedrag van mensen om zo de oorsprong van een ziekte op te sporen. Hij onderzocht feiten en hij legde een verband tussen de oorzaken en de gevolgen.
