De edelen be, veel grond en ze waren van
oudsher schatrijk. Tot 600 voor Chr. maakten ze de dienst uit in Athene. Ze hadden in de gaten dat er veel veranderde door de bloei van de handel. Ze beplantten hun landerijen met olijfbomen en wijnranken die olie en wijn opleverden voor de export. De landbouw stond dus in dienst van de handel.
De grootgrondbezitters en de welgestelde ambachtslieden hadden slaven om het werk te doen. Slaven hadden geen rechten en geen bezit. Kleine ondernemers en keuterboeren hadden wel burgerrechten, maar moesten net als de slaven tegen de armoede vechten. Hun vrouwen en kinderen moesten hard meewerken.
Er waren in Athene dus grote verschillen in rijkdom tussen de bevolkingsgroepen. Ook hadden grootgrondbezitters, handelaren en bankiers waarschijnlijk meer invloed in de volksvergadering. Ze hadden meer tijd om er heen te gaan en waren daardoor beter op de hoogte.
Vrouwen en mannen
Griekse meisjes moesten het huishouden doen. Brood bakken, spinnen, weven, koken, kortom hard werken. Ze trouwden jong en hun wereld was klein. Buitenshuis kwamen ze haast nooit en ze hadden geen politieke rechten. Een man beschouwde zijn vrouw niet als zijn gelijke. Ze maakte deel uit van zijn huishouding, van zijn bezit. Vrouwen moesten gehoorzaam en bescheiden zijn.
Hoewel alle vrouwen voor de wet rechteloos waren, bestonden er wel verschillen. Vooral in de hogere kringen hadden vrouwen niets te vertellen. Daar namen ze in de rangorde een plaats in boven de slaven. Nooit kwamen deze vrouwen buiten of gingen naar de markt, want er waren slaven om de boodschappen te doen. Vrouwen van winkeliers, marktvrouwen en kroegbazinnen
waren nogal vergeleken met hun rijkere zusters. Zij werkten mee in de winkel of in de kroeg en hadden daardoor veel meer contact met andere stadsbewoners.
Bij boerenfamilies moest een meisje bij haar huwelijk een bruidsschat inbrengen en vaak was dat een stuk land. Meisjes vormden daardoor een bedreiging voor het familiebezit. Bij boerenfamilies kwam het wel voor dat meisjes bij de geboorte in het open veld werden gelegd en stierven.
