De boeren vertrouwden erop dat de priesters dank zij hun contacten met de goden rampen konden voorkomen. Om ervoor te zorgen dat de priesters op hun hand bleven, leverden de boeren zonder morren een groot deel van de oogst bij de tempel af.
Er was nog een reden waarom de boeren afhankelijk van de stad waren. In de stad stond het paleis van de loegal. Hij was een god. Met zijn krijgers beschermde hij het boerenland tegen rovers, plunderaars en vijanden uit andere landstreken. De stad met de koning en de priesters zorgde ervoor dat de woede van de goden zich niet op de boeren zou ontladen. De boeren zorgden er op hun beurt voor dat de stad te eten kreeg. Bovendien waren ze tevreden met hun leven. Ze hadden een huis, ze bakten hun brood en dronken bier. Het zware werk aan dammen en kanalen hoefden ze niet te doen. Daar waren tenslotte slaven voor.
Slaven
Slaven komen we in Oeroek en in de rest van Mesopotami veel tegen. Slaven waren vooral krijgsgevangenen, zoals nomaden die in de buurt van Oeroek gevangen waren genomen. Daarnaast behoorden verstotenen uit nomadenstammen, vreemdelingen zonder geld, vondelingen en weduwen met hun kinderen tot de slaven. Ze waren eigendom van iemand anders en stonden onderaan de sociale piramide.
Slaven kon je al het werk laten doen, waar jezelf een hekel aan had. En dat waren vaak de vervelende en zware karweien. Slaven moesten bijvoorbeeld stenen maken voor de grote gebouwen in de stad, ze moesten modder uit de rivier scheppen of in de gloeiende zon graan sjouwen. Het leukere en lichtere werk, zoals vee weiden en verzorgen, deden de boeren zelf. Rijke handelaren, priesters en koningen lieten al het werk aan slaven over.
Vrouwen, mannen en kinderen
Tussen vrouwen en mannen bestonden veel verschillen. De belangrijkste taak van vrouwen was het grootbrengen van de kinderen. Maar daarnaast moesten ze nog veel ander werk verzetten. Als er een monument zou worden opgericht voor de eerste boer, dan zou het een beeld van een vrouw moeten zijn. Vrouwen bewerkten de kleine akkers. Ze wiedden onkruid, oogstten en dorsten het graan, maalden het en bakten van het meel broden en koeken. Omdat vrouwen zich met de landbouw bezighielden, is het heel goed mogelijk dat zij belangrijke uitvindingen deden. Een voorbeeld is de sikkel, waarmee je de halmen afsnijdt. Volgens sommige onderzoekers hebben vrouwen dan ook de landbouw uitgevonden. 
touwen zorgden
huis. Ze oefenden er allerlei ambachten uit. Vandaar dat uitvindingen als spinnen en weven, het boeten van visnetten en het vlechten van manden waarschijnlijk ook van vrouwen afkomstig zijn. En ook het pottenbakken heeft misschien een vrouw uitgevonden. Al dit werk kon rond het huis gebeuren, terwijl de kinderen speelden of sliepen.
Er is weinig dat erop wijst dat mannen dit soort taken vervulden. De mannen deden behalve jagen en vissen niet zo veel.
Toen steden als Oeroek ontstonden, veranderden de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Het werk werd verdeeld en er ontstonden verschillende beroepen, die zelfstandigheid, aanzien en macht gaven. Een voorbeeld is het ambacht van de smid. Uit de aarde smolt hij het ijzer en bewerkte het tot wapens, drinkbekers en sieraden. Zo'n smid was een soort wonderdoener, net zoals een priester.
Ook in de landbouw ontstonden werkzaamheden die aanzien gaven. Toen akkerbouw nog met eenvoudige gereedschappen gebeurde, was het vrouwenwerk. Maar met twee van die machtige ossen voor een ploeg, dat was natuurlijk mannenwerk. Vrouwen konden onmogelijk smid worden of achter de ossenploeg staan. Ze zouden dan buitenshuis moeten werken. En wie moest er dan thuis voor de kinderen zorgen?
De wetten benadeelden vrouwen. Zij mochten
niet scheiden, de mannen wei. Als een man bij zijn eerste vrouw geen kinderen kreeg, had hij het recht een tweede vrouw erbij te nemen.
Het aanzien van vrouwen werd bepaald door de positie van hun man. Door het ontstaan van ongelijkheid tussen mannen, groeide de ongelijkheid tussen vrouwen.
