Tweehonderdduizend jaar jagers, vissers, verzamelaars en boeren
Op enkele plekken leven nog stammen als jagers, vissers en verzamelaars. Bijvoorbeeld in Zuid-Amerika (in het hartje van het Amazonegebied). in de poolcirkel in Canada en op het Indonesische eiland Kalimantan.
In de rest van de wereld leven mensen van voedsel dat akkerbouw en veeteelt (samen de landbouw) voortbrengen. Toch zijn jacht en vooral visserij altijd belangrijk gebleven; ook in de landbouwsamenlevingen die we in het volgende hoofdstuk gaan behandelen. De eerste duizenden jaren was de jachtbuit een belangrijke aanvulling op wat de landbouw opleverde. Dat veranderde op den duur. Dieren zijn namelijk niet dom en passen hun gedrag aan. Ze begonnen de plekken te mijden waar mensen woonden en trokken zich terug in de wildernis. Dat maakte de jacht tijdrovend en gevaarlijk. Daardoor werd de jacht een voorrecht voor de sterksten en moedigsten van de stam.
jagers, vissers en verzamelaars
in onze tijd
Niemand hoeft meer te leven van de
jacht. Al sinds vele eeuwen is de jacht
ten tijdverdrijf voor de topgroep, de
elite. Men nam zelfs maatregelen om
ervoor te zorgen dat er genoeg wild was
om te schieten. Zo mocht er alleen van
het najaar tot eind februari gejaagd
worden. En in Europa werden beren en
wolven, de natuurlijke vijanden van herten, reen en wilde zwijnen, uitgeroeid.
Ook de visserij bleef altijd van belang. Eerst visten mensen alleen in rivieren en meren. Later waagden ze zich op zee, maar bleven wel in de buurt van de kust. Pas vanaf 1300 werd de zeevisserij ten grote bedrijfstak.
Het verzamelen van voedsel komt vrijwel niet meer voor. Zelfs produkten uit de 'wilde' natuur, zoals bosbessen, bramen en paddestoelen, kopen we bij de groenteman of in de supermarkt. Alleen 1n landen als Frankrijk of Zweden eet men soms nog slakken uit de eigen tuin en paddestoelen uit het bos. Maar niemand hoeft ervan te leven.
We kunnen vaststellen dat wij geen jagers meer zijn. In de uitverkoop misschien nog een beetje. We zijn ook geen vissers, hooguit hengelaars. Verwoede verzamelaars zijn we wel. In de supermarkt lopen we elke week hetzelfde blokje, we weten precies waar de chips staan en waar de puddingpoeder. Zijn we nog nomaden? Misschien nog een beetje, denk aan de miljoenen mensen die over de wereld trekken, zoals vluchtelingen, emigranten, vakantiegangers, journalisten, handelaren en piloten.
Tienduizend jaar boeren in vogelvlucht De akkerbouw begon toen mensen ontdekten dat ze wilde tarwekorrels zelf konden zaaien. In het begin wisselden ze steeds van akker, maar met de ontdekking van de bemesting was het mogelijk akkers permanent te gebruiken.
De veeteelt ontwikkelde zich doordat het mensen lukte wilde dieren te temmen tot huisdieren dit melk, vlees en andere produkten leverden.
Landbouw ontwikkelde zich gelijktijdig op een aantal plaatsen in de wereld. Op figuur 1q kun je zien dat boeren in China andere granen verbouwden dan in het Midden-Oosten of Amerika. En dat ze in Zuid-Amerika andere dieren hielden dan in Europa.
Kenmerken van agrarische samenleving gen zijn altijd de zelfvoorziening g. weest en de geringe behoefte om de manier van leven en werken te veranderen. Technische vernieuwing was er nauwelijks en verspreidde zich heel langzaam. We noemen agrarische samenlevingen daarom stabiel of statisch. Voor ons dit in een tijd van voortdurende verandering leven, is dat heel opvallend. Pas in de laatste tweehon-
derd jaar is er sprake van ingrijpende veranderingen in de landbouw. Vanaf dat moment verminderde het aantal boeren sterk. Vooral in rijke landen zijn nog maar weinig mensen werkzaam in de landbouw.
