Boeren en jagers, (Een wereld van verschil
Het verbouwen van gewassen, het hoeden van het vee en het verwerken van de opbrengst betekende veel werk. De schapen en geiten leverden vlees, melk, kaas, wol, leer. Met vallen en opstaan leerden mensen deze produkten te verwerken. Ze kwamen erachter hoc ze van melk kaas konden maken. Ook vonden ze het spinnen en weven uit, zodat ze van schapenwol kleding konden maken. Deze manier van leven en werken was heel anders dan het leven van jagers. Boeren woonden op n plek, moesten hard werken en hadden het veilige gevoel van een voedselvoorraad. Een jager had 's morgens geen idee of hij voor het vallen van de avond een prooi zou vinden. En mocht hij een prooi zien, zou hij dan snel en behendig genoeg rijn om hem te doden? Jagers leefden als nomaden. Steeds weer moesten ze op zoek naar nieuwe jachtgebieden. Het leven van jagers was dan ook harder. Geen wonder dat ze jong stierven. De leefwijze van boeren was langer vol te houden. Bij hen ging het niet om snelheid of behendigheid, maar om uithoudingsvermogen.
De eerste boeren verschilden van de laatste jagers door een grotere hoeveelheid bezit. Jagers waren nomaden en leidden een zwervend bestaan. Dan kun je niet veel bezittingen met je meevoeren. Roeren vestigden zich op een vaste woonplek en konden bezit gaan vormen. Ze hadden bijvoorbeeld een stevig huis van leem en stro, veel gereedschap, molenstenen om het graan te malen en potten en manden. Ook bezaten ze akkers en vee. De boeren waren rijk in vergelijking met de jagers, maar in onze ogen stelt hun bezit weinig voor.
Jagers leefden in groepen van bloedverwanten, afstammelingen van n voorvader. Alles was gemeenschappelijk bezit: jachtvelden, viswater, vel-
den met wilde tarwe en hutten. Boeren leefden in kleinere groepen, in gezinsverband. We weten dat, omdat archeologen bij de opgraving van het dorp Jarmo in het huidige Irak kleine rechthoe- kige huizen vonden, waar hooguit n familie kon wonen. Wel woonden drie generaties bij elkaar. De huizen waren gebouwd van aangestampt Item en de woon- en slaapvertrekken lagen aan een open binnenplaats waar graan werd gemalen en vee gestald. De binnenplaats n het huis had den deuren die afgesloten konden worden. De overgang van het leven in groepen van bloedverwanten naar het leven in een gezin kwam door de toename van het bezit. De ouders wilden dat hun bezit na hun dood in de handen van hun kinderen zou overgaan. En dat het niet verdeeld werd over de hele stam.
Het gezin was een werkgemeenschap en zou dat tot in de moderne tijd blijven. Men spon zijn eigen wol, weefde en naaide de eigen kleding, bakte zijn eigen brood. De agrarische samenleving was dus voor een groot deel zelfvoorzienend.
