De aarde
De mensheid bewoont de planeet aarde. Een grote bol die met een snelheid van 29,8 kilometer per seconde door de ruimte schiet. De aarde is n van de negen planeten van een ster die wij de zon normen. De planeten draaien elk in een eigen baan om de zon. De aarde voltooit zijn baan om de zon in 365,26 dagen. De aarde is een bijzondere planeet; er komt leven voor. Dat is op de andere planeten, voor zover we dat kunnen bekijken, niet het geval.
De aarde in een jaar
De aarde is ongeveer vijf miljard jaar oud. Laten we die lange periode in eEn jaar samenvatten, alsof het een film is die een jaar duurt.
Eerst kijk je wekenlang naar een gloeiende, rode, sissende bol. Daarna verdwijnt die bol wekenlang in een stoomwolk. En in die stoomwolk ontstaat rond 29 maart, onzichtbaar voor het blote oog, het leven. Dat leven ontwikkelt zich langzaam, van eencellige organismen tot piepkleine krabjes en schelpdiertjes. Het is dan al half november. Uit de schelpdieren ontwikkelen zich vissen en rond vijf december gaan de eerste dieren aan land. Er ontstaan amfibien en reptielen. Vooral de laatste soort doet het goed. Half december bevolken enorm grote dieren, zoals dinosaurussen en stegosaurussen, de aarde en het luchtruim. Elf dagen later sterven ze alweer uit. Ze moeten het veld ruimen voor de soort waartoe wij behoren: de zoogdieren. Een warmbloedige diersoort die zich gemakkelijker aanpast aan het kouder wordende klimaat op aarde. Binnen twee dagen verspreiden de zoogdieren zich in duizenden soorten over de aarde. De laatste dag van de film is de mens pas te zien, vanaf een uur of zeven 's avonds. De geschiedenis die wij in dit boek behandelen, de laatste vijfduizend jaar, komt pas in de laatste dertig seconden aan bod. In de laatste drie seconden zien we de geschiedenis van de moderne tijd voorbij flitsen; Columbus, Maarten Luther, Lodewijk XIV, Napoleon, Hitler, Stalin....
Dieren en plant('
In de tekst hiervoor zijn we de helft van de natuur vergeten: de planten. Behalve een kleine miljoen diersoorten, telt de aarde zo'n vierhonderdduizend plantesoorten. Is dat belangrijk? Zeker, we gebruiken planten als voedsel, en de dieren die we eten zijn zonder uitzondering planteneters. Ook kleding, zoals katoen en linnen, maken we van plantaardige grondstoffen. En onze brandstoffen (hout, turf, steenkool en aardolie) zijn door alle tijden plantaardig geweest.
Planten zijn dus onmisbaar, maar er is een reden dat we ze hiervoor vergaten. Wij zoeken in het verleden naar onze afstamming, naar onze voor-
gangers. We weten dat we geen planten zijn en dat we daar niet van afstammen. Met dieren hebben we daardoor een betere relatie. Voor bedreigde pandaberen hebben we meer belangstelling dan voor het uitstervende Tibetaanse bergmadeliefje. In beide gevallen is het verlies onherstelbaar, maar pandaberen, zeehonden en olifanten raken ons meer. Tussen mens en dier bestaat een band, en ook herkenning.
