Verkiezingen
Als er verkiezingen voor de Tweede Kamer in aan-
tocht zijn, krijgen politieke partijen het druk. De partijen moeten een kandidatenlijst opstellen en een lijsttrekker kiezen. De lijsttrekker is het 'gezicht' van de partij. Door de grote aandacht van de media is de persoon van de lijsttrekker steeds belangrijker geworden. Als de kandidatenlijst is opgesteld en het verkiezingsprogramma geschreven, begint de verkiezingscampagne. Kamerleden en ministers trekken door het land, spreken zalen met mensen toe en gaan op markten en in winkelstraten zoveel mogelijk handen schudden. Tijdens de campagne worden er krasse uitspraken gedaan; politieke tegenstanders worden flink aangepakt. Zo proberen politici om de keuze voor Jan of Piet wat makkelijker te maken.
De laatste twintig jaar is er steeds meer aandacht voor de opiniepeilingen. Dat zijn voorspellingen over de uitslag van de verkiezingen, gebaseerd op onderzoek onder de kiezers.
Het kiezen zelf wordt niet door politieke partijen georganiseerd, maar door de overheid. De besturen van de kiesdistricten laten de kandidatenlijsten drukken, versturen stemkaarten en "zorgen ervoor dat er in elk kiesdistrict een stembureau is. In honderden gymzalen, schoollokalen en buurthuizen worden stembureaus ingericht. Verkiezingen vinden in ons land meestal plaats op een woensdag. In de laatste week bereikt de verkiezingskoorts een hoogtepunt. Het klapstuk is het debat op televisie tussen de lijsttrekkers van de grote politieke partijen.
De verkiezingsdag is ook spannend. Schijnt de zon, of blijven veel kiezers thuis vanwege de regen? Als om zeven uur 's avonds de stembureaus dichtgaan, gaan de stembussen open. De stembiljetten worden (nog vaak) met de hand geteld.
Omdat de uitslagen per stad gegeven worden, wordt pas in de loop van de avond duidelijk welke partijen gewonnen en welke verloren hebben. Kiesdistricten en stembureaus die een stemcomputer gebruiken zijn natuurlijk sneller klaar. De eerste uitslagen zijn al om vijf over zeven bekend, maar pas rond tien uur 's avonds is er een compleet beeld.
Hoeveel zetels een partij krijgt is vrij eenvoudig vast te stellen. De Tweede Kamer-verkiezingen gaan om 15o zetels. Het totaal aantal uitgebrachte stemmen wordt gedeeld door 150. Zijn er bijvoorbeeld 9.000.000 stemmen uitgebracht, dan zijn er voor n zetel 60.000 stemmen nodig. Dit getal noemen we de kiesdeler. Hoe vaker een partij de kiesdeler haalt, hoe meer zetels die partij krijgt. Maar het kan ook anders. In Engeland bijvoorbeeld is het land opgedeeld in districten. Elk district heeft een zetel in het Lagerhuis. De partij dit wint in een district, krijgt de zetel. Dit districtenstelsel werkt in het nadeel van kleine partijen, zeggen de tegenstanders. 'Het gaat versnippering tegen,' zeggen de voorstanders.
Ons systeem van evenredige vertegenwoordiging, zorgt er in elk geval voor dat er heel wat kleine partijen hun stem in het parlement kunnen laten horen. In Duitsland is dit vrijwel onmogelijk. Ook daar kent men evenredige vertegenwoordiging, maar men hanteert een kiesdrempel van vijf procent. Haalt een partij dit drempel niet, dan krijgt ze geen plaats in de Bondsdag. Haalt een partij die drempel wl, dan gaat het ook meteen om een flink aantal zetels. De Bondsdag heeft namelijk maar liefst 600 zetels.
Het parlement
Door de verkiezingen wordt duidelijk welke partijen er in de nieuwe Tweede Kamer komen. De Tweede Kamer is het hart van onze democratie. De leden van de Tweede Kamer zijn direct gekozen door het volk. Daar moeten de ministers verantwoording afleggen van hun daden. De samenstelling van de Tweede Kamer is dus nogal belangrijk. Zijn kamerleden dat ook? In theorie wel; een Tweede Kamerlid beoordeelt de daden van een minister zonder 'last of ruggespraak'. Dat wil zeggen dat hij in zijn oordeel niet gebonden is aan de partij die hem kandidaat heeft gesteld. In praktijk ligt dat anders. Het kamerlid heeft te maken met het partijprogramma, met het bestuur, met de andere leden van zijn partij in de kamer, de fractie, en met de fractievoorzitter. In de praktijk zijn de fracties heel belangrijk. Kamerleden opereren in groepsverband, als team. Als we de zetelverdeling in figuur II bestuderen dan valt al meteen op dat geen enkele partij, geen enkele fractie, de meerderheid in de Tweede Kamer heeft. In het nieuwgekozen parlement moeten de fracties van meer partijen dus samenwerken. Er moeten afspraken gemaakt worden voor de komende periode van vier jaar. Natuurlijk biedt het oude kabinet (de ministers en de staatssecretarissen) na de verkiezingen zijn ontslag aan bij de koningin. Er zit immers een nieuwe Tweede Kamer. De koningin aanvaardt dit ontslag, maar verzoekt de ministers aan te blijven om lopende zaken af te handelen.
Het initiatief om een nieuw kabinet te vormen, ligt bij de koningin. Zij laat zich daarover adviseren door alle fractievoorzitters. Dan krijgt ze al een idee wie met wie wil samenwerken. Ze vraagt ook adviezen aan politici met veel ervaring; oud-ministers, de voorzitters van de Eerste en Tweede
