De partijen
Tijdens de strijd om het algemeen kiesrecht kwamen in Nederland politieke stromingen op. Echte politieke partijen waren dat nog niet. De stromingen waren de voorlopers van de politieke partijen zoals wij die kennen. Tussen 1848 en 1870 veroverden de liberalen de macht. Onder leiding van Thorbecke moderniseerden ze in rap tempo het bestuur en het onderwijs. De staat moest volgens de liberalen belangrijke zaken als onderwijs, rechtshandhaving en het leger krachtig organiseren. Buiten deze terreinen moest de overheid zich niet, of zo min mogelijk, begeven. Na 1870 kwamen nieuwe politieke stromingen naar voren. Abraham Kuyper, de leider van de Anti-Revolutionaire Partij kreeg grote invloed onder de kleine luiden. Hij sprak namens 'het volk achter de kiezers'. Dat was volgens hem niet dol op de moderne ideen van de liberalen. In elke levenssfeer, of dat nu het onderwijs was, de kerk of het polderbestuur, moesten betrokkenen zoveel mogelijk zelf hun zaken kunnen regelen. In het onderwijs waren dat leraren en ouders, in het polderbestuur de boeren en de dijkgraaf. Kuyper noemde dit 'soevereiniteit in eigen kring'. Hij was de eerste die zijn politieke stroming ging organiseren. In dat opzicht was hij modern. De Anti-Revolutionaire Partij (ARP) had plaatselijke afdelingen (kieskringen), een landelijk bestuur, een program en een dagblad, de Standaard. Naast de ARP kwam de Rooms-Katholieke Staatspartij
(RKSP) op. Minder strak georganiseerd, maar wel
veel groter. Partijen met een duidelijk godsdienstige grondslag noemen we confessionele partijen. De Sociaal-Democratische Arbeiders Partij (SDAP) kwam vooral op voor de belangen van de arbeiders. Tot de Tweede Wereldoorlog stonden de ideen van Karl Marx en andere socialistische
denkers centraal. Ook deze partij koos in 1894 voor het model van plaatselijke afdelingen en een strak landelijk bestuur. De SDAP streefde naar vestiging van het socialisme. Leiders als Troelstra en Wibaut zagen dit niet op korte termijn gebeuren. Tussen 1894 en 1914 veranderden zij de koers van de SDAP. Het werd een praktische hervormingspartij die vooral de directe belangen van de arbeiders verdedigde.
ARP en RKSP zijn de voorlopers van het CDA. De PvdA is verwant aan de SDAP; VVD en D66 zien zich als erfgenamen van Thorbecke en de liberalen.
Je zou de politieke partijen de makelaars tussen volk en overheid kunnen noemen. Alle politieke partijen hebben een programma. De meeste partijen hebben er zelfs twee. Ze hebben cen beginselprogramma, waarin de uitgangspunten van de partij staan. En ze hebben op basis daarvan een verkiezingsprogramma. Daarin wordt uitgelegd wat er in de komende vier jaar moet gebeuren. Alle politieke partijen hebben plaatselijke afdelingen en een overkoepelende landelijke organisatie. Verder heeft elke partij een bestuur. In een bestuur zitten, zoals je weet, de voorzitter, de penningmeester en de secretaris en een aantal belangrijke partijleden. Het bestuur zorgt ervoor dat er een partijprogramma is; dat laat het bestuur schrijven door een aantal knappe koppen in de partij. Het bestuur zorgt ervoor dat leden hun contributie betalen en dat er nieuwe leden bijkomen. Het bestuur belegt ook bijeenkomsten met de leden. De belangrijkste bijeenkomst is het jaarlijkse congres. Elke plaatselijke afdeling kiest voor dit congres een afgevaardigde. De afgevaardigde leden stemmen over voorstellen van andere
leden, voorstellen van andere afdelingen en van het bestuur. De leden in een politieke partij zijn dus nogal belangrijk. Maar een lid dat alleen maar contributie betaalt en nooit een vergadering bezoekt, een slapend lid, heeft weinig invloed. Actieve leden maken kans om op een kandidatenlijst te komen; voor de gemeenteraad of voor de Tweede Kamer.
Kiezers zijn het allerbelangrijkste voor een politieke partij. Hoe meer kiezers, hoe groter het aantal zetels in de gemeenteraad, de Provinciale Staten of de Tweede Kamer.
Nu was het gedrag van het electoraat, de kiezers, vroeger makkelijker te voorspellen dan tegenwoordig. Kwam men uit een 'rood nest', dan stemde men PvdA, gereformeerden stemden ARP en katholieken stemden trouw op de Katholieke Volkspartij. Dat is in de afgelopen twintig jaar veranderd. Naast trouwe kiezers zijn er kiezers die steeds op een andere partij stemmen. Deze 'zwevende' kiezers, ongeveer 30% van het totaal. kunnen partijen aangename maar ook onaangename verrassingen bezorgen.
