Een staat is dus altijd een produkt van een historische relatie. Het grondgebied van de staat der Nederlanden is niet een willekeurige lap grond die men op een goede dag heeft afgepaald. De bevolking van een staat is ook niet een groep willekeurige mensen die toevallig op die lap woonden. En net zo min is het bestuur ingesteld omdat er nu eenmaal iemand de baas moest zijn.
De relatie tussen grondgebied, bestuur en bevolking is gegroeid. En die relatie zal zich blijven ontwikkelen. Staten zijn dus niet statisch, maar dynamisch. Veranderingen in omvang van het grondgebied, in bestuursvorm en in samenstelling van de bevolking zijn er altijd geweest. Dat zal voor de toekomst niet anders zijn.
Het ontstaan van de Nederlandse staat zoals wij dit nu kennen heeft eeuwen in beslag genomen. De gewesten die hun landheer, de Spaanse koning Filips II, in 1581 aan de kant zetten, vormden in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. In 1588 ligt dus n belangrijk mo-
ment. Deze zeven gewesten regelden elk hun eigen zaken en voerden alleen een
gezamenlijke buitenlandse politiek. Alleen de stadhouders uit het huis
Oranje-Nassau konden hun macht laten gelden in meerdere gewesten. Daar was
veel kritiek op en in de 18e eeuw kwam de roep om n bestuur voor alle
gewesten; het streven naar een eenheidsstaat. In de Franse tijd (1795-1813)
werd de basis gelegd voor meer eenheid in het bestuur. Na deze tijd werd
vanuit deze basis gekozen voor een nieuwe staatsvorm: het Koninkrijk der
Nederlanden (1815-heden). Ook dat is weer een cruciaal moment. Tot 1839
omvatte dit koninkrijk ook Belgi. Tussen 1830 en 1839 maakte Belgi zich los, maar Nederland bleef een koninkrijk. Vanaf dat moment is de omvang van het Nederlands grondgebied in Europa niet meer gewijzigd. De relatie tussen bestuur en bevolking veranderde wel ingrijpend.
In 1848 werd de basis gelegd voor de parlementaire democratie. Jan Rudolf Thorbecke (17981872) schreef een nieuwe grondwet. Die gaf het parlement (Eerste en Tweede Kamer) meer macht. Er stond namelijk in dat de ministers verantwoording van hun daden zouden afleggen aan de beide Kamers en niet langer aan de koning. Met de zin: 'De koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk' verloor de koning zijn directe invloed op de gang van zaken in ons land. Bovendien werd de Tweede Kamer direct gekozen door de rijke burgers. Dit kiesrecht, ook wel censuskiesrecht genoemd, was dus niet democratisch. De nieuwe grondwet bevatte wel de democratische rechten van de burgers, zoals vrijheid van godsdienst, onderwijs, meningsuiting en vergadering.

Het volk
In de periode tussen 1848 en 1922 nam de invloed van het volk op het bestuur toe. In 1848 waren de Staten-Generaal nog geen echte volksvertegenwoordiging. Alleen rijke mannen die veel belasting betaalden hadden kiesrecht. Dat waren er ongeveer 55.000, op een bevolking van drie miljoen. Het kiesrecht werd maar langzaam uitgebreid. Niet zo'n wonder als deftige mannen met veel geld daarover moeten beslissen. In de betere kringen vond men politiek geen zaak voor de gewone man. De belangstelling voor politieke zaken was bij brede lagen van de bevolking ook niet
groot. Ministers en kamerleden debatteerden over het bestuur, het leger, de vloot, de kolonin en de buitenlandse politiek. Dat raakte de meeste mensen niet. Godsdienst en onderwijs vvd; dat bleek in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Vrijheid van godsdienst betekende dat de rooms-katholieke kerk haar organisatie in ons land kon herstellen, na drie eeuwen achterstelling. De protestanten zagen hierin een bedreiging. In april 1853 boden protestantse leiders aan de koning (!) 200.000 handtekeningen aan. Deze Aprilbeweging had uiteindelijk geen effect. Maar het was wel het begin van een soort politieke bewustwording, bij protestanten en bij katholieken. Die bewustwording werd versneld door de schoolstrijd (zie hoofdstuk 6). Ook de sociale kwestie kreeg steeds meer aandacht. De opkomst van de industrie en de groei van de steden maakten sociale problemen, zoals kinderarbeid, analfabetisme en slechte huisvesting zichtbaar. Daardoor werd de eis van algemeen kiesrecht steeds vaker gehoord. Vooral de socialisten maakten zich hier sterk voor. In 1894 richtten Wilhelmina Drucker en Aletta Jacobs de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht op. Zo werd de druk om van de Staten- Generaal een echte volksvertegenwoordiging te maken steeds groter. Toch zou het nog tot 1917 duren voor het algemeen kiesrecht voor mannen werd ingevoerd; in 1919 ook voor vrouwen. Het algemeen kiesrecht maakte de invloed van het volk op het bestuur groter. Toch leken politici uit de periode 1917-1960 niet erg op moderne politici. Het waren nog steeds heren in donkere pakken die door hun trouwe kiezers op handen werden gedragen. Het parlement was geen afspiegeling van het volk.
