Historisch
'De staat, dat ben ik.' Die uitspraak is van Lode-
wijk XIV. Dat was een Franse koning uit de 17e
eeuw. Zijn optreden als absoluut heerser was
in die tijd een voorbeeld voor veel andere Europese
vorsten. Lodewijk XIV heeft absolutisme mis-
schien niet uitgevonden. Maar hij heeft de staat
in het moderne Europa van na 1500 sterk en in-
vloedrijk gemaakt. De staat speelt in Europa een
belangrijke rol in de maatschappij. Dat is niet al-
tijd zo geweest. In de oudheid waren er al staten.
Denk maar aan Oeroek, aan Assur of aan Babylon;
of aan de grote rijken van de Egyptische farao's. In
die staten waren de koningen en de priesters be-
kleed met goddelijk gezag. De staatsinrichting in
die staten zat heel eenvoudig in elkaar. Macht was van goddelijke oorsprong en daardoor stond de macht van de koning niet ter discussie. De Grieken, denk aan Sparta en Athene, dachten daar anders over. Bij hen leefde het idee dat de macht berustte bij de edelen of bij de volksgemeenschap; de macht werd dus uitgeoefend door mensen. Daardoor stond de macht ter discussie. Bij de Grieken zien we voor het eerst openlijke politieke conflicten, machtsconflicten. Ze werden vaak in de volksvergadering uitgevochten en er zijn ook verslagen van bewaard gebleven. Omdat het uitoefenen van macht ter discussie stond bij de Grieken, werd er door hen ook nagedacht over de ideale staatsvorm.
De Romeinen hadden het idee dat ze de ideale staatsvorm gevonden hadden. Senaat en volk van Rome namen de beslissingen in het steeds groter wordende Romeinse machtsgebied, het Imper-
ruim Romanum (= Romeinse rijk). Toen het rijk
te groot werd ons alle beslissingen aan Rome over te laten, traden er generaals naar voren. De machtige generaal Julius Caesar legde de basis voor het
keizerschap van de Romeinen. Vijf eeuwen wisten
de Romeinen het rijk bijeen te houden, tot het
in 476 na Chr. uiteen viel. Rond die tijd begint
een periode waarin staten een rol gaan spelen: de
middeleeuwen. In de late middeleeuwen her-
leefde in de steden het idee dat burgers zelf een stempel moesten kunnen drukken op hun eigen
bestuur. Gewapend met hun economische macht dwongen de burgers bij de edelen, graven en hertogen, stadsrechten af Democratisch was dat bestuur helemaal niet, want alleen rijke burgers hadden iets te zeggen. Toch ligt hier de kern van het moderne burgerschap. De Europese steden met stadsrechten vergeleken zichzelf graag met de zelfstandige stadsrepublieken uit de oudheid. Hun marktplein was het forum, het stadhuis een senaatsgebouw en de kerk een tempel.
Tussen 1460 en 1640 groeiden handel en bedrijf enorm. De ondernemers pakten hun zaken groot aan, reders lieten schepen over de wereldzeen varen. De stad als bestuurseenheid was voor hen te klein geworden. Dit soort ondernemers vonden het prima als vorsten hun macht vergrootten. Eenheid was goed voor de handel. Een koning als Lodewijk XIV was voorstander van een krachtige staat met een groot leger. Oorlogvoeren zag hij als een winstgevend bedrijf dat macht en koloniaal bezit kon opleveren.
In de 18e eeuw groeide onder de burgerij kritiek op de autoritaire staat. De Amerikaanse (1776) en de Franse revolutie (1789) stelden niet de staat, maar de burger, elke burger, centraal. De staat, zo redeneerde men, moest niet in de eerste plaats macht hebben en gezag afdwingen. De staat moest het volk dienen, de staat had verantwoordelijkheden en taken. Die kwamen in de 19e eeuw centraal te staan in het politieke debat.
De staat
Een staat is een instelling die altijd de drie volgende kenmerken heeft: een grondgebied, een bestuur en een bevolking. Valt n kenmerk weg, dan is er geen sprake meer van een staat. Dit is wel een kille omschrijving. Staten die enkel aan deze drie kenmerken voldoen, zijn er niet. Tussen het grondgebied, het bestuur en de bevolking moet er altijd een band bestaan. Die is in de loop van de tijd, vaak honderden jaren, gegroeid.
