1)e wereld een dorp: de wereldeconomie
Uit hoofdstuk begint in 1973. In dat jaar brak de oliecrisis uit. Arabische olielanden dreigden westerse landen die Isral steunden in de Jom Kippoeroorlog, te straffen door geen olie meer te leveren. In feite voer er geen olietanker minder over de wereldzeen, maar het effect van het dreigement was enorm. De olieprijzen schoten omhoog. Europa, de VS en Japan kregen plotseling te maken met een veel hogere energierekening. De oliecrisis onderstreepte de afhankelijkheid van de rijke industrile landen van de leveranciers van grondstoffen. Omgekeerd maakte het de landen zonder grote industrie duidelijk dat ze een machtsmiddel in handen hadden: het grondstoffenwapen. Politiek en economisch veranderde er daardoor heel wat in de wereld. Het was een schok voor de economische orde. Men ging er tot 1973 vanuit dat de verkrijgbaarheid van grondstoffen geen probleem was. Men sprong er ook verkwistend mee om. De oliecrisis dwong regeringen en ondernemers tot maatregelen. Maatregelen om verspilling tegen te gaan. om dure beid en dure grondstoffen zo efficint mogelijk te gebruiken. De vliegtuigmaatschappijen bijvoorbeeld konden zich niet meer veroorloven halflege vliegtuigen te laten vliegen. Ondernemers gingen meer investeren in zuinige apparaten en machines. Omdat de ondernemingen op de kleintjes gingen letten, moesten regeringen dat ook doen. Langzaam kwam er in de jaren zeventig kritiek 'os op de hoge prijs van de verzorgingsstaat. Waarom eigenlijk? Die verzorgingsstaat was toch juist een groot goed? Zeker, maar het was ook erg duur en het idee was ontstaan in een tijd waarin de wereldeconomie anders 1n elkaar stak: in de periode 1933-1960. Dat was een periode waarin de VS en West-Europa nog weinig last hadden van
concurrentie op de wereldmarkt. De Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie hadden daar maar weinig aan veranderd. Westerse produkten konden duur zijn, omdat er geen andere aanbieders waren. Dat veranderde rond 1970-1975. Landen
als Japan en Taiwan kwamen op de wereldmarkt en konden concurreren met auto's, grasmaaiers, elektronica en computers. Al die goederen waren van uitmuntende kwaliteit en stukken goedkoper. De oliecrisis en de concurrentie uit Oost-Azi zorgde ervoor dat regeringen en ondernemers met andere ogen naar de verzorgingsstaat gingen kijken. Door de nieuwe concurrenten en door de gestegen energiekosten werd het steeds moeilijker de kosten voor de verzorgingsstaat op te bron gen. De economische orde moest ondernemers in staat stellen zo goedkoop mogelijk te produceren. Alleen dan konden bedrijven op de wereldmarkt concurreren. Alleen dan kon ook personeel worden aangenomen. Zo leidde de oliecrisis tot een 'renaissance' van het klassieke kapitalistische denken.
De wereld een dorp: milieu
De oliecrisis zorgde ook voor een verandering in het denken over het milieu. Natuurlijk maakte men zich voor 1973 ook wel zorgen over vieze rook en lelijke snelwegen. Dat deed men echter vooral vanuit het idee dat de natuur zo mooi was. De oliecrisis maakte duidelijk dat het allemaal ook best op kon, en stuk en kapot. Dat besef leefde voor die tijd niet bij zo heel veel mensen. Wel was er in 1970 al een verontrustend rapport verschenen van de Club van Rome. De samenstellers hadden een zeer pessimistische visie op de toekomst. Schaarste, hongersnood en vervuiling zouden de mensheid treffen. De oliecrisis zette hier nog eens een uitroepteken bij.
Dure benzine, benzinebonnen en autoloze zondagen maakten het grote publiek duidelijk dat het ernst was. In de jaren tachtig kwamen daar
nieuwe rapporten bij over een gat in de ozonlaag en het broeikaseffect. De hoop dat kernenergie minder kwaad zou kunnen, kreeg een gevoelige knauw door de ramp met de kerncentrale in Tsjernobyl. In deze sfeer werden de gedurfde acties van organisaties als Greenpeace populair. De vaak symbolische acties rond zeehondjes, walvisvaart en het dumpen van kernafval in zee hadden een sterke signaalfunctie. De mensheid, zo concludeerde men, had geen kernoorlog nodig om de planeet te vernietigen. Daarom gingen regeringen en ondernemingen de nadruk leggen op duurzame ontwikkeling. Dat wil zeggen een ontwikkeling van de industrie dit vooraf al rekening lou houden met de afvalprodukten. Volkswagen bijvoorbeeld bouwt al sinds 1987 auto's dit voor 9o% hergebruikt kunnen worden. Dat is natuur-
