nalisme' zou kunnen opwekken. Spoedig bleek dit een illusie. Het regime Bouterse ontpopte zich als moorddadig en corrupt. In 1991 werd de macht onder grote druk weer overgedragen aan een burgerregering. De grote schade die door de periode Bouterse aan het Surinaams prestige is toegebracht, maakt de verzoening tot een moeizaam proces.

Een Europrovincie?
Nederland maakt deel uit van de Europese Unie, het Europa van de Twaalf: Hoe ver is het met die Europese eenwording en wat zal (voorlopig) het resultaat zijn van dat proces? Blijft Nederland met zijn Tweede Kamer, zijn koningin en zijn gulden bestaan of worden we een onderdeel van n Europa? Die laatste wens, n Europa, leefde vooral vlak na de Tweede Wereldoorlog heel sterk, ook in Nederland. Dat zou betekenen dat alle Europese regeringen hun bevoegdheden zouden moeten overdragen aan een Europese regering. Voor zo'n vergaande stap waren de Europese landen nog niet klaar. Samenwerking tussen de Europese landen moest klein beginnen en op de praktijk gericht zijn. Zo'n praktische stap was de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS, 1952). Twee oude vijanden, Frankrijk en West-Duitsland, namen het initiatief, Itali en de Benelux sloten zich aan. De EGKS zou voortaan de markt voor kolen en staal gaan regelen. De regeringen stonden dus een stukje macht af aan de EGKS; de EGKS was dus een supranationale organisatie. Vijfjaar later werd de Europese Economische Gemeenschap opgericht. De EEG moest de economische samenwerking ver-
breden en verdiepen. Het eerste doel van de EEG was het scheppen van n markt voor landbouw-produkten. Dat leidde al spoedig tot heel wat problemen. De EEG had namelijk niet te maken met een paar grote staatsbedrijven (mijnbouw, hoogovens) zoals de EGKS, maar met miljoenen grote en kleine Europese boeren. Van het idee om op die manier weer een stap te zetten naar verdere samenwerking, kwam niet veel terecht. De boeren. kleine zelfstandigen, verzetten zich tegen de plannen en maatregelen uit Brussel. Toen bleek hoe zwak de EEG was. De EEG kon namelijk niets doen zonder toestemming van alle leden. Elke lidstaat kwam op voor zijn eigen boeren. Om de medewerking van de lidstaten en de boeren te krijgen, ging de EEG strooien met subsidies. Er kwam een vaste melkprijs, een wijnprijs, een vleesprijs. Dat maakte het voor boeren aantrekke-
lijk om zoveel mogelijk te produceren. Door de vaste prijzen ontstonden er boterbergen, vleesbergen, melk- en wijnplassen. Dat was niet goed voor het imago. De meeste Europeanen zagen de EEG vooral als het suikeroompje van de boerenstand. Daar kwam nog bij dat de Franse president De Gaulle (1958-1969) uitbreiding van de EEG tegenhield. Volgens hem moesten de Europese landen vooral hun eigen karakter behouden. Europa moest een verzameling van herkenbare vaderlanden blijven. Pas na zijn dood kwamen Engeland, Ierland en Denemarken (1973) erbij. Spanje, Portugal en Griekenland volgden in de jaren tachtig. Na de hereniging van Duitsland (1989) en het uiteenvallen van het Oostblok (1989-1991) willen praktisch alle Europese landen, maar ook Turkije en zelfs landen in Noord-Afrika, toetreden.
Europese democratie
Er is veel kritiek op de democratische organisatie
van een Verenigd Europa. Tegelijkertijd zijn veel
regeringen doordrongen van de noodzaak tot sa-
menwerking. De economische crises van de jaren zeventig, tachtig en negentig hebben laten zien dat de Europese landen afzonderlijk er niet goed voorstaan. Ze hebben te weinig economische veerkracht om het op te nemen tegen landen als de VS en Japan. Een verenigd Europa zou de positie van Europese bedrijven kunnen verbeteren. Daarom is er sinds de jaren tachtig hard gewerkt om de eenheid te versterken. Dat stuit nog al eens op problemen. Veel Europeanen wantrouwen de Europese Gemeenschap zolang er geen echte democratische controle mogelijk is.
De noodzaak tot samenwerken is dus duidelijk, maar de politieke wil ontbreekt. Dat laatste is begrijpelijk. Het rechtstreeks gekozen Europese parlement kan de Europese bestuurders, de commissarissen, niet naar huis sturen. Dat maakt de Europese politiek niet duidelijker. Verder zijn de kleine landen bang om van tafel te worden geveegd door de grote landen.
