'zuipen en naaien' hadden. Journalisten die op de televisie de draak staken met de godsdienst en met het Onze Vader. Kwam dat door de populaire jeugdhelden, door Elvis Presley en Bill Haley? Ouders die hoopten dat hun kinderen niet zo zouden worden, kwamen bedrogen uit. In het 'jaar 5 na Elvis' braken de Beatles en de Stones door. Die waren nog erger, want ze lieten hun haar groeien. En door de opkomst van de radio konden ze een immens publiek bereiken. Voor ouders was het pijnlijk te zien dat de jeugd zich anders ging gedragen. Kinderen werden uithuizig, gingen naar de bioscoop, dansen of erger, wilden niet meer mee naar de kerk. Ze lieten hun haar groeien, eerst tot op hun kraag, al spoedig tot op hun schouders. Van onder al dat haar orakelden jongeren dat ze de leefwijze van hun ouders afwezen, omdat die tot een milieuramp, een kernoorlog of beide zou leiden. De protestgeneratie kwam uit de kinderstoel. Ouders, leraren, dominees, pastoors en andere opvoeders zaten met
de handen in het haar. Langzaam opende zich voor hun ogen de generatiekloof. Wat nu? Als de jongeren niet op de ouders wilden lijken, zo moeten ze geredeneerd hebben, dan moeten de ouderen maar op de jongeren gaan lijken. Er was, gelet op het vaak vervelende en onverantwoordelijke gedrag van veel jongeren, verbazend veel begrip van kerken, scholen, universiteiten. Door dit enorme begrip vond er in de jaren zestig en zeventig een ingrijpende verandering plaats in het optreden tegen jeugdige dwarsliggers. Veel, zo niet alles, stond ter discussie, alles was bespreekbaar en moest, in wezen, kunnen.
Tolerant Nederland
Tolerantie werd een toverwoord en protesteren een deugd. Dit was een trend die in de hele westerse wereld waarneembaar was, maar nergens zo sterk en uitgesproken als in Nederland. Spijbelaars, punkers, krakers en junkies konden stuk voor stuk rekenen op begrip, zorg en begeleiding. Was dat een overwinning van de jeugd? Of waren er ook andere oorzaken voor het tolerante optreden? Natuurlijk, niet alleen de jongeren waren veranderd. Door de radio, de televisie, de steeds dikker wordende kranten, beschikten de meeste Nederlanders over meer informatie. Ze beschikten ook over meer geld, meer vrije tijd. Men werd daardoor gemakkelijker, toleranter. Nederland genoot van zijn tolerante imago in het buitenland. We keken met een geamuseerde blik naar 'bekrompen' toeristen die zich verbaasden over de vrije verkrijgbaarheid van softdrugs. Het ontbreken van enige vorm van toezicht of controle in het openbaar vervoer, ruime toegang tot allerhande uitkeringen, beurzen en subsidies werden gezien als het zoveelste bewijs van onze grenzeloze tolerantie. Op deze terreinen waren er wel naargeestige dwarskijkers, maar hun invloed binnen de politieke partijen, de vakbonden, het onderwijs en de kerken was gering.
Welvarend Nederland
De welvaart groeide zichtbaar: het winkelmandje werd een winkelwagentje. De overheid zorgde er met subsidies voor dat ondernemers bleven investeren en slechtlopende bedrijven werden met subsidie door moeilijke tijden heen geholpen. De overheid was het trekpaard in de economie. Daarnaast zorgde de overheid ook voor herverdeling van de welvaart door middel van belastingen en premies. Door de grote verdieners wat minder te laten groeien en de kleine inkomens snel op te trekken, werd Nederland 'een land met rijke armen en arme rijken'. Zo werd in 1963 het minimumloon ingevoerd en dat groeide daarna net iets sneller dan het gemiddelde of modale loon. Maar de medaille had een keerzijde. Het begon in de industrie. Schoenwinkels, kledingzaken gingen steeds meer produkten kopen uit landen met lagere lonen. Orders voor het bouwen van nieuwe schepen gingen steeds vaker naar landen als Japan en Korea. Ook grote Nederlandse bedrijven, zoals Philips, lieten steeds meer onderdelen maken in het verre, goedkope buitenland. Zo gingen er al eind jaren zestig tienduizenden arbeidsplaatsen verloren in de Nederlandse industrie. Nederland
was weer een duurte-eiland geworden en dat maakte concurrentie met het buitenland moeilijk. In de jaren zeventig zag men dat in Nederland niet als een drama. Er kwamen zoveel nieuwe banen bij banken, in de dienstverlening en bij de overheid, dat honderdduizend werklozen geen probleem vormden. Trouwens, zo redeneerde men in brede kring, zo geweldig was al dat werk niet geweest en de uitkeringen waren prima. De Nederlandse economie had genoeg veerkracht, dacht men, want de schok van de oliecrisis uit 1974 was goed verwerkt
