Vernieuwing in Nederland I (1945-1959)
Voor een Nederlander die de jaren dertig had meegemaakt, was het land eind jaren vijftig bijna onherkenbaar geworden. De jaren dertig hadden door de massale werkloosheid een diepe indruk gemaakt. Deze werkloosheid betekende toen armoede en echte honger. In brede kring zag men na 1945 wel in dat het beleid van Colijn van voor de oorlog niet gewerkt had. De overheid zou in de samenleving een veel grotere rol moeten gaan spelen. Ook leefde er een sterk optimisme dat de economie en de samenleving zo ingericht konden worden, dat een crisis als die van de jaren dertig niet meer kon plaatsvinden. Dit optimisme had natuurlijk veel te maken met de betoverende werking die de bevrijding had. Die maakte de mensen vatbaar voor nieuwe ideen.
In de oorlog hadden vele prominente Nederlanders - professoren, dominees, schrijvers, journalisten - gevangen gezeten als gijzelaar in Sint Michelsgestel. Daar waren socialisten bij, liberalen, gereformeerden, katholieken, kortom vertegenwoordigers van alle zuilen. Onder deze mensen ontstond het idee van de doorbraak. De verzuiling, zo zeiden ze, had de Nederlanders blind gemaakt voor de samenleving als geheel. Een doorbraak in die verzuiling moest ervoor zorgen dat de ogen opengingen voor wat de Nederlanders verbond. Vlak na de bevrijding werd de Nederlandsche Volksbeweging opgericht. Uit die beweging ontstond de Partij van de Arbeid (PvdA). Die partij wilde socialisten, liberalen, katholieken en protestanten verenigen. Bij de eerste verkiezingen na de oorlog (1946) haalde de PvdA niet veel stemmen. De partij werd niet groter dan de SDAP voorde oorlog was geweest. De doorbraak was hierdoor niet gelukt. Katholieke en protestantse partijen waren even sterk als voor de oorlog. Binnen twee jaar stapten de liberalen uit de PvdA en richtten in 1948 de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) op. Daardoor was alles weer als voor de oorlog. De subculturen van het verzuilde Nederland waren op volle sterkte teruggekeerd. Het rijke roomse leven in de Katholieke Volkspartij (KVP), de calvinistische mannenbroeders in de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de Christelijk Historische Unie (CHU), de taaie rooie rakkers in
de PvdA en de zindelijke burgerheren in de VVD. Als politieke partij was de PvdA misschien niet gelijk een succes. Maar het idee van de doorbraak was wel zo sterk dat de PvdA een vooraanstaande, een leidende rol ging spelen in de Nederlandse politiek. Dat had veel te maken met de leider, de 60-jarige Dr. Willem Drees. Drees wekte vertrouwen bij praktisch alle Nederlanders. Dat kwam omdat hij in 1946 al een lange politieke carrire achter de rug had in de SDAP. Drees begreep dat de Nederlanders na de crisis, na de oorlog, hunkerden naar zekerheid, naar werk, woningen, onderwijs, kortom naar orde. Daar wilde hij zich voor inzetten, maar als tegenprestatie verlangde hij uiterste spaarzaamheid. Hijzelf was daarvan het symbool: hij fietste naar het Binnenhof, dronk niet, rookte weinig. Onder zijn leiding krabbelde Nederland na 1945 overeind. Zijn regeringsperiode (1945-1958) staat te boek als saai en sober, maar in die jaren werd wel de basis gelegd
het moderne Nederland. De Nederlandse industrie deed het goed, omdat er door de lage lonen goedkoop geproduceerd kon worden. Nederland kon door zijn zuinigheid heel makkelijk concurreren met andere landen. In plaats van een duurte-eiland (jaren dertig) was Nederland nu een goedkoopte-eiland geworden. In de jaren vijftig werd een begin gemaakt met de opbouw van uitgebreide sociale voorzieningen. Dat kon omdat er aardig verdiend werd n omdat er geen werkloosheid was. De Algemene Ouderdomswet (Aow) gaf iedere Nederlander van 65 jaar en ouder het recht op pensioen. Wie zonder werk zat kon aanspraak maken op een uitkering volgens de Werkloosheidswet (WW). Deze uitkeringen waren in het begin nog heel laag. In de jaren zestig en zeventig groeiden het aantal uitkeringen (Bijstand, WAO, AAW) en de hoogte ervan. Iedereen, was de gedachte, moest in de groei van de welvaart kunnen delen.
Vernieuwing in Nederland II (1959-1982)
Nederland was na de oorlog onherkenbaar veranderd in economisch opzicht. Toch was er ook veel bij het oude gebleven. De Nederlanders vormden, ondanks de welvaart, een degelijk, spaarzaam en gezagsgetrouw volkje. Het werd er bij de jeugd met de paplepel ingegoten. In de jaren '60 en '70 werd echter een scheiding tussen jongeren zichtbaar. Aan de Ene kant waren er nog veel ernstige en serieuze jongens en meisjes die maar een ding wilden: worden zoals papa en mama. Aan de andere kant, en dat aantal groeide, kwamen er nozems, rockers, vetkuiven, Dijkers en Pleiners. Wat was er gebeurd met de Nederlandse jeugd? Jonge Veelbelovende Dichters die het op de radio over
