voor de sociale kwestie. In brede kring vond men armoede een pest voor de maatschappij. Armoede leidde tot ziekten, drankzucht, diefstal, prostitutie en meer van dat soort kwalen. Dat die zaken in een echte welvaartsmaatschappij nog steeds voorkomen, zou liberalen n socialisten van toen verbaasd hebben.

Tussen de wereldoorlogen
a ongeveer dertig jaar touwtrekken over de schoolstrijd, de sociale kwestie en het algemeen kiesrecht, kwam men rond 1917 vrij plotseling tot overeenstemming over die drie problemen. Het algemeen kiesrecht voor mannen werd ingevoerd, bijzondere scholen kregen evenveel subsidie als openbare scholen en er werd een begin
gemaakt met sociale maatregelen zoals de achturen-werkdag, ouderdons- en invaliditeitsvoorzieningen.
Deze resultaten kwamen tot stand onder druk van de omstandigheden. Buiten de grenzen woedde de Eerste Wereldoorlog en daarom vond men het nuttig de rijen te sluiten en de binnenlandse problemen op te lossen.
Deze oplossing leek goed te werken. De conflicten tussen liberalen, socialisten, katholieken en protestanten behoorden tot het verleden. Wat bleef was diep wantrouwen, vooral tussen de christelijke partijen aan de ene kant en de socialisten aan de andere kant. Socialisten noemden godsdienst nog steeds 'opium van het volk'. Ze zagen in iedere pastoor een handlanger van de fabrieksdirecteur. Protestanten en katholieken zagen in elke socialist een revolutionair en een athest. De groepen ontliepen elkaar zoveel mogelijk. In de betrekkelijke rust van de jaren twintig bouwden ze door aan een sterke organisatie. De politieke leiders wilden hun volgelingen van de wieg tot het graf behoeden voor omgang met andersdenkenden.  Zo ontstond de verzuiling. Katholieken, socialisten en gereformeerden hadden elk hun eigen straten, voetbalclubs, omroepen, jeugdorganisaties, strijdliederen. Het waren subculturen die de gelovigen beschermden tegen de verderfelijke invloed van de barre buitenwereld.
Crisis
Nederland was ook in de eerste dertig jaar van
deze eeuw een handelsland gebleven, met grote
banken en grote transportondernemingen. Be-
halve handel en transport waren ook de export en
doorvoer naar Duitsland belangrijk. In 1930 sloeg
de economische crisis toe. Nederland werd be-
hoorlijk geraakt. Dat is begrijpelijk als je weet
hoe zwaar de crisis Duitsland trof. Dat land was
onze grootste afnemer en kocht opeens veel min-
der. Er ontstond een grote werkloosheid; bijna
n op de vier werknemers zat zonder werk. Zo'n ernstige toestand vraagt om maatregelen. In 1933 kreeg Nederland, net als Duitsland (Hitler) en de Verenigde Staten (Roosevelt), een nieuwe minister-president: Hendrikus Colijn. Colijn was een zakenman met een militaire achtergrond. Een aanpak zoals die van Roosevelt, de New Deal, wees hij met kracht van de hand. 'Wij zijn geen muntvervalsers,' zeiden hij en zijn minister van Financin. Colijn vond dat bedrijven efficint en goedkoop moesten gaan werken. Dan zouden ze wl kunnen exporteren. Een andere mogelijkheid was om de waarde van de gulden te verlagen, maar daar voelde Colijn niet voor. De Nederlanders waren niet zuinig genoeg, vond hij. Om een voorbeeld te geven verlaagde hij de salarissen van ambtenaren en de bijstand met tien procent. Zo'n Spartaanse aanpak gaf natuurlijk veel verzet, vooral omdat Colijn zelf zeshonderdduizend gulden (toen al!) per jaar verdiende bij de Koninklijke Olie. Voor anderen vond hij een tientje bijstand per week genoeg. Een psycholoog kon je Colijn zeker niet noemen.
Historici en economen vragen zich nu nog steeds af of dit wel de goede aanpak is geweest. Nederland zou namelijk van een verlaging van de exportprijzen maar weinig voordeel hebben gehad. In Duitsland was Hitler aan de macht gekomen en zijn politiek was erop gericht zo min mogelijk te importeren. Bovendien was Nederland geen echt industrieland. Daar kon een devaluatie (= vermindering van de waarde van de munt) nog wel eens een oplossing zijn. Voor een handelsland was zoiets slecht, omdat dan het vertrouwen in de munt zou afnemen. En, alle openbare werken die in Amerika in de jaren twintig niet waren uitgevoerd, waren in Nederland wl gedaan. De wegen waren heel behoorlijk verbeterd en er was een begin gemaakt met de inpoldering van de Zuiderzee. Dus zo heel veel werk viel er in Nederland niet te scheppen.
Colijn vond het wel best zo: 'Ik ken geen twee mensen meer die zich niet op krukken van de overheid voortbewegen'. Dat klopte wel, want Colijn kende veel boeren en die werden flink gesubsidieerd. Maar liefst 200 miljoen gulden per jaar kreeg de agrarische sector. Dat was in die tijd ongeveer 30% van de rijksuitgaven.
Toen de SDAP in 1936 voorstelde om voor een zelfde bedrag de economie op te lappen, werden de socialisten door dezelfde Colijn betiteld als een stelletje onverantwoordelijke Sinterklazen. Zulk optreden zette meer kwaad bloed dan het handhaven van de waarde van de gulden.
