staatskerk kende, konden ook andere stromingen zich min of meer vrij ontplooien. Zo had de Republiek al een sterk libertijnse stroming die op vrijheid was gericht. Ontwikkelde burgers lieten zich niet de les lezen door dominees en ouderlingen. Joden, lutheranen, doopsgezinden en andere dissenters (= andersdenkenden) hadden een redelijk grote vrijheid. Wel eigenaardig is het dat de grootste groep van de bevolking, de rooms-katholieken, op vernederende wijze werd achtergesteld. De afstand tussen burgers en bestuurders van de steden was niet groot. Daar waren de steden te klein voor. Een burgemeester was een rijke burger, maar het bleef een burger, die lopend over straat naar het stadhuis ging. Er was weinig respect voor de regenten, ze werden kritisch bekeken en er werden hoge eisen aan ze gesteld door de burgerij. Vriendjespolitiek en corruptie kwamen voor, maar daar werd schande van gesproken. In landen waar het bestuur in handen was van de adel was dat wel anders. Daar hoorde
macht heel vanzelfsprekend bij de adel en uiteindelijk bij de koning. Dat stond niet ter discussie. In de Republiek was geen koningshuis. Heel in de verte deed het stadhouderschap eraan denken, maar de stadhouders uit het huis Oranje-Nassau vervulden nu niet direct een dankbare taak. In Holland heeft geen enkele stadhouder een standbeeld gekregen.
De leiders van de Republiek vonden dat de vrijheid en de welvaart het meest gediend waren met vrede. Daarom hielden ze de Republiek zoveel mogelijk buiten internationale conflicten. De tijd dat de Republiek door de Fransen was bezet (1795-1813) betekende veel voor de modernisering van het land. Er kwam meer eenheid in het bestuur. Na de Franse tijd werd Nederland een koninkrijk; tot 1839 samen met Belgi, daarna in de huidige vorm. Na 1848 werd Nederland ook stapje voor stapje een democratie. De Staten-Generaal, die de burgerij vertegenwoordigden, controleerden het doen en laten van de regering.
Naar algemeen kiesrecht
Na '848 werd Nederland bestuurd door liberale burgerheren. Dat was logisch want alleen rijke mannen hadden toen kiesrecht. Ministers regeerden het land en ze werden gecontroleerd door de Tweede Kamer. Ook in de Kamer zaten vooral rijke burgerheren, die goede sigaren rookten maar verder niet veel deden. Het leger en de kolonin vonden ze belangrijk, maar kwesties als armoede, uitbreiding van het kiesrecht en onderwijs leidden maar tot meningsverschillen. Daar sprak men liever niet over, maar dat ging niet altijd. De onderwijswet was nog uit 1806 bijvoorbeeld en daar moest na 1848 iets aan gebeuren. Toen bleek dat er verdeeldheid was tussen de partijen. De liberalen wilden gemengde scholen, waar kinderen van alle geloofsrichtingen heen konden. Protestanten en katholieken wilden scholen met een christelijk karakter. Ze konden hun eigen, bijzondere, scholen stichten, want in de grondwet van 1848 was het recht op vrijheid van onderwijs vastgelegd. Maar deze scholen kregen geen subsidie van de overheid. De strijd om die subsidie wel te krijgen noemen we de schoolstrijd. Door deze strijd kregen protestanten en katholieken in de gaten dat ze elk afzonderlijk in de politiek niet veel in te brengen hadden. Daardoor groeiden de katholieke leider Schaepman en de protestantse leider Kuyper naar elkaar tot. Ze wilden uitbreiding van het kiesrecht om hun aanhang, die niet alleen uit 'miljonairs met dubbele namen' bestond, een stem te geven. En die stem zou over meer gaan beslissen dan alleen het onderwijs. In hun strijd voor het kiesrecht kregen ze steun van Nederlands eerste socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. In zijn blad 'Recht voor Allen' maakte deze zich sterk voor het algemeen kiesrecht, dus ook voor arbeiders. Trouwens, ook
veel liberalen voelden wel voor uitbreiding van kieswet, maar algemeen kiesrecht of vrouwenkiesrecht ging ze te ver.
De socialist Nieuwenhuis, de katholiek Schaepman, de protestants Kuyper n de liberaal Van Houten hadden allen op hun manier ook oog
