Isral en de Arabische wereld: dekolonisatie?
Al rond 1900 kwamen de eerste joodse kolonisten naar Palestina. Vanaf die tijd groeide het aantal joodse nederzettingen daar langzaam maar zeker. Dat leidde toen al tot spanningen met de Arabische bevolking van Palestina, de Palestijnen. Na de Tweede Wereldoorlog werd openbaar wat velen al geweten of gevreesd hadden: in de vernietigingskampen van nazi-Duitsland waren miljoenen joden vermoord. De roep om een onafhankelijke joodse staat in Palestina werd luider. Buiten de Arabische wereld was er geen land dat dit streven niet steunde. Onder de joden die de kampen en de vervolging hadden overleefd, heerste een vastberaden stemming. Een onafhankelijke joodse staat was de enig denkbare garantie voor veiligheid.
Vlak na de oorlog trokken steeds meer joden naar Palestina. Het gebied stond onder Engels bestuur. De problemen werden spoedig zo groot dat de Engelsen hun gezag over het gebied overdroegen aan de Verenigde Naties. De VN verdeelden Palestina in een gebied voor de Palestijnen en een gebied dat de joodse staat Isral zou gaan vormen. En dag voordat de Engelsen uit Palestina  zouden vertrekken (14 mei 1948) riepen de joodse
leiders de staat Isral uit. Isral werd snel erkend door alle grote mogendheden, maar de Arabische buurlanden - Egypte, Jordani, Syri, Irak en Libanon - vielen de nieuwe staat onmiddellijk aan. Het Isralische leger was goed bewapend, want wapens waren er na de oorlog bij de vleet. Bovendien was het sterk gemotiveerd en goed georganiseerd. In 1949 kwam het tot een wapenstilstand, maar vrede werd niet gesloten. Isral had toen een groter grondgebied in bezit genomen dan in het plan van de VN was aangegeven. De honderdduizenden Palestijnen die in Palestina woonden
vluchtten naar de buurlanden. De stichting van de staat Isral was een doorn in het oog van de Arabieren. De Arabische staten waren te zwak geweest om het te voorkomen. Het was een teken dat ze slecht bestuurd werden, vonden veel jonge Arabieren. De vorsten van Irak, Egypte en Jordani waren te laks geweest. Onder jonge officieren bloeide het Arabisch nationalisme. Ze wilden van de Arabische wereld een kracht maken die in de wereld respect zou afdwingen. In 1952 pleegden militairen in Egypte een staatsgreep. Hun leider, Abdul Nasser, werd in 1954 president. Nasser wilde Egypte snel moderniseren. Hij was ook een belangrijke en inspirerende figuur in de club van
niet-gebonden landen. Veel meer dan de leiders van India en Indonesi, Nehru en Soekarno, werd Nasser als een gevaarlijk man gezien door het westen. Dat kwam omdat hij propaganda maakte voor een 'Arabisch socialisme', maar nog veel meer omdat hij een gevaar betekende voor Engelse en Franse belangen. De Fransen waren rond 1955 verwikkeld in een bloedige dekolonisatie-oorlog in Algerije. De Algerijnse opstandelingen zagen zichzelf als Arabier en Nasser was hun held. Toen Nasser in 1956 het Suezkanaal nationaliseerde, dat nog steeds Engels-Frans bezit was, voelden de voormalige wereldmachten zich vernederd. Engeland en Frankrijk voelden dit als het verlies van wereldmacht. En dat was ook zo, maar ze legden zich er niet bij neer. Ze betrokken Isral in het conflict. Daarvoor hadden ze geen slechter moment kunnen uitkiezen. Engeland en Frankrijk nodigden Isral uit Egypte aan te vallen. De twee landen zouden dan als bezorgde vredestichters tussenbeide komen en de zone rond het Suezkanaal als buffer inrichten. Knap bedacht als het 1935 was geweest. Maar het was 1956.
Militair liep de operatie op rolletjes, maar de twee supermachten, de VS en de SU, lieten dit niet toe. Chroesjtsjov zag een kans om te laten zien dat hij ook belangstelling had voor de wereld buiten Europa. Hij dreigde met raketten op Londen en Parijs. Eisenhower zag vooral de verstoring van de stabiliteit door het Frans-Engelse geklungel. De Suezcrisis van 1956 had twee gevolgen. Ten eerste werd duidelijk dat Engeland en Frankrijk dit soort streken niet meer konden uithalen. Het waren geen grote mogendheden meer. Ten tweede kwam het conflict in het Midden-Oosten in de sfeer van de Koude Oorlog. Na 1956 werd Isral door de Arabieren gezien als een pion van het westen. In het Midden-Oosten ontstond een wapenwedloop met de VS en de SU als belangrijkste leveranciers. De Zesdaagse oorlog van 1967 en de Jom Kippoeroorlog van 1973 waren het gevolg.
