Dekolonisatie
De Koude Oorlog ontstond in en om Europa. Maar de wereld buiten Europa veranderde na 1945 snel. Ook daar werd de invloed van de Koude Oorlog merkbaar. De Europese landen hadden zich bij het Atlantisch Handvest verplicht om hun kolonin zelfstandigheid te geven. Dat was eigenlijk een loos gebaar, want in de meeste kolonin bestonden sterke bewegingen onder de bevolking die onafhankelijkheid eisten. Verder waren de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie beide tegenstander van het kolonialisme van de Westeuropese landen. De VS hamerden erop dat Amerika de eerste onafhankelijk geworden kolonie was en stelde zich als voorbeeld. De SU zag in het kolonialisme een typisch kapitalistisch verschijnsel, en dus was het verwerpelijk. Beide supermachten hoopten door de dekolonisatie hun positie in de wereld te versterken. Veel landen in Azi en Afrika hebben hun eigen strijd gevoerd om onafhankelijk te worden. Soms ging dat soepel
en snel, vaak waren er bloedige conflicten voor nodig dit jaren duurden. De geschiedenis van de dekolonisatie heeft in die landen dezelfde betekenis als voor ons de Tachtigjarige Oorlog of de Tweede Wereldoorlog. Grofweg kun je zeggen dat de kolonin in Azi in de jaren veertig en vijftig onafhankelijk werden en die in Afrika begin jaren zestig. In sommige landen duurde de bloedige nasleep tot in de jaren zeventig en tachtig. De dekolonisatie zorgde voor nieuwe verhoudingen in de wereld. De meeste jonge staten zagen weinig in het Europese of het Amerikaanse leiderschap in de wereld. Daar had men geen positieve ervaringen mee. In 1955 hield daarom een aantal jongt staten onder leiding van India en Indonesi een conferentie in Bandoeng. Hier ontstond de 'club' van niet-gebonden landen. De leden wilden niet afhankelijk worden van n van de twee machtsblokken in de wereld. Verder wilden ze economische macht voor de landen in Afrika en Azi. Ze wilden toegang tot de wereldmarkt zon-
der last te hebben van invoerrechten en andere handelsbelemmeringen. Ze wilden kortom een andere economische wereldorde. Het begrip 'de Derde Wereld' deed zijn intrede. De Derde Wereld werd gevormd door alle landen die ooit kolonie waren geweest. Dat gaf de indruk dat deze landen in hetzelfde schuitje zaten. Voor een deel was dat natuurlijk waar. De jonge landen waren politiek dan wel eigen baas, economisch stonden ze geen van alle sterk in de wereld. De Verenigde Staten, Europa en de Sovjet-Unie probeerden alle drie om de 'niet gebonden' landen voor zich te winnen. Dat deden ze door handelsverdragen af te sluiten, door ontwikkelingsprojecten op te zetten en door wapenleveranties. Daardoor werden veel 'niet gebonden' landen steeds meer gebonden aan een van de grootmachten. De wapenleveranties wezen erop dat er ook in de Derde Wereld spanningen waren. Als India goede relaties had met de Sovjet-Unie dan was dat voor het vijandig gezinde buurland Pakistan reden om steun bij de Verenigde Staten te zoeken. Kreeg Isral wapens van de VS, dan konden Irak, Syri en Egypte in Moskou het nodige bestellen. De supermachten waren niet kieskeurig.
rot veranderingen in de economische machtsverhoudingen leidde dit niet. Daar werd in de Verenigde Naties wel op aangedrongen, vooral door de jonge staten dit massaal lid waren geworden.
In de Algemene Vergadering hadden ze zelfs de meerderheid. Maar in de Veiligheidsraad hadden ze geen vetorecht, en dat was veel belangrijker. Door hun problemen werden de landen van de Derde Wereld in de jaren zestig en zeventig steeds strijdbaarder. Vooral de VS waren het mikpunt van kritiek. Dat land had via grote bedrijven veel invloed in de wereld. De kracht van de VS was dus overal merkbaar, die van de SU niet. De VS had ook na de oorlog het plan voor een nieuwe wereldorde gepresenteerd. En daar was weinig van terecht gekomen. Europa stond wel achter het plan, maar blokkeerde de uitvoering vanwege de eigen economische belangen. In de Derde Wereld groeide daardoor het idee dat het in de wereldeconomie niet ging om principes of om idealen. Het ging erom de eigen kracht te gebruiken. Een goed voorbeeld daarvan was Japan dat zich in twintig jaar had opgewerkt tot een eersterangs industrile mogendheid. Japanse auto's en elektronica veroverden een flink deel van de wereldmarkt. Een ander voorbeeld was de olieboycot van 1973. Alle landen dit olie produceerden en exporteerden (de OPEC-landen) verminderden in 1973 de olietoevoer naar Europa, de VS en Japan. De prijzen vlogen omhoog en de OPEC-landen maakten flinke winst. Dit was geen blijvend succes, maar het beeld van de rijke, onkwetsbare industrielanden had een flinke deuk opgelopen.
