Chroesjtsjov had meer belangstelling voor de wereldpolitiek dan Stalin. De oprichting van het Warschaupact (1955), een tegenhanger van de NAVO, was daar een teken van. Om Amerika in te halen had de Sovjet-Unie meer bondgenoten nodig dan de onderdrukte landen in Oost-Europa. Daarom voerde hij een wervende buitenlandse politiek, die hij de politiek van de 'vreedzame coxistentie' noemde. Hij vond dat de verschillende systemen van de VS en de SU, het kapitalisme en het communisme, naast elkaar konden bestaan. De systemen zouden moeten streven naar vreedzame concurrentie op economisch, wetenschappelijk en cultureel terrein. Chroesjtsjov was er trouwens van overtuigd dat de SU en het communisme dan op den duur aan het langste eind zouden trekken. Steeds meer jonge, zelfstandig geworden kolonin in Afrika en Azi zouden de kant van de SU kiezen, dacht hij. Hij hoopte zelfs West-Europa in te palmen. Dat was eigenlijk het doel van zijn politiek. Als experiment liet hij in de Sovjet-Unie een wat grotere vrijheid in het dagelijks leven toe, maar dat duurde niet lang. Wel kwamen er miljoenen mensen vrij uit de strafkampen die Stalin had ingericht. Dat maakte geen einde aan de communistische dictatuur, maar het gaf sommigen wel het idee van een grotere vrijheid. De Hongaren bijvoorbeeld. Zij kwamen in 1956 in opstand. Ze dachten niet alleen aan meer vrijheden, maar ook aan zelfstandigheid; ze wilden zelfs het Warschaupact verlaten. Deze opstand werd bloedig onderdrukt. De wereld huiverde, maar deed niets.
Enkele jaren later bleken de Russen in staat tot (bemande) ruimtevluchten. Dat was goed voor het prestige van de SU. Het zou ook een militaire voorsprong kunnen betekenen. Amerika moest gaan nadenken over een antwoord op deze dreiging.
Bewapeningswedloop
President Eisenhower (1952-1960) deed net alsof Chroesjtsjov en de Sovjet-Unie niet bestonden. Hij voerde bewust een passieve buitenlandse politiek. Toen hij in 1960 werd opgevolgd door Kennedy (1960-1963) ging er een andere wind waaien vanuit de VS. Kennedy ging de uitdaging van de SU niet uit de weg. Hij vond dat de Verenigde Staten tot elke prijs moesten laten zien dat ze op elk terrein nummer n waren in de wereld. Daarom kwam Kennedy met grote onderwijs-en woningbouwprogramma's. Daarom lanceerde
Kennedy het plan voor een bemande ruimtevlucht naar de maan. Kennedy zorgde ook voor goede relaties met de landen in de Derde Wereld. Veel meer dan Truman of Eisenhower greep hij terug op de idealen van Bretton Woods: vrijhandel en economische samenwerking. Chroesjtsjov beantwoordde deze uitdagende politiek met zware middelen. Dat bleek bij de crisis rond Cuba (1962). Toen de NAVO kernraketten had neergezet in Turkije, raketten die grote delen van de Sovjet-Unie konden bereiken, wilde Chroesjtsjov raketten plaatsen op het bevriende eiland Cuba. Die raketten zouden grote delen van de Verenigde Staten kunnen bereiken. Russische schepen waren al onderweg naar Cuba. Toen Kennedy eiste dat de schepen met de Russische kernraketten terug moesten, dacht de hele wereld dat er een atoomoorlog zou uitbreken. Pas op het laatste moment liet Chroesjtsjov de schepen omkeren, wat een nederlaag betekende. Deze nederlaag was het begin van zijn politieke ondergang. In de partij was er steeds meer kritiek op hem en in 1964 werd Chroesjtsjov met pensioen gestuurd door de nieuwe machthebber Leonid Brezjnew.
De raketcrisis rond Cuba maakte duidelijk dat de SU en de VS in een nieuwe fase van de Koude Oorlog waren beland. Ze stonden niet langer alleen in Europa tegenover elkaar. De hele wereld was het strijdtoneel geworden. Dat kwam ook door de vooruitgang van de techniek. Midden jaren zestig konden zware raketten elke plek op aarde bereiken. Door dit beangstigende idee wilden beide grootmachten ervoor zorgen dat ze dit soort conflicten zouden kunnen beheersen. Daar was overleg voor nodig. Er werd, ook al zo'n nieuwe mogelijkheid, een hot-line aangelegd tussen het Witte Huis in Washington en het Kremlin in Moskou. De leiders van de VS en de SU konden elkaar nu rechtstreeks bellen. Verder sloten de landen een kernstopverdrag. Ze zouden ophouden
met bovengrondse proeven met atoombommen. Die waren in de jaren vijftig heel normaal. Daarnaast streefden beide landen, ondanks alle overleg, naar het behalen van een voorsprong op elkaar. De SU had tot 1960 nauwelijks een vloot. Die werd dus flink uitgebreid om op gelijke hoogte met de VS en Engeland te komen. Ook deze schepen werden door beide supermachten met kernwapens uitgerust. Omdat de VS en de SU voorbereid wilden zijn op alle mogelijke conflicten, klein en groot, met of zonder kernwapens, ging de bewapeningswedloop in de jaren zestig en zeventig in een hogere versnelling.
