en telefoons afgeluisterd worden. Zo maakte Hitler de socialisten en de communisten een week voor de verkiezingen verdacht en weerloos. Toch haalde de NSDAP bij de verkiezingen van 5 maart nog steeds geen meerderheid. Met steun van drie
kleinere partijen en erg veel SS-ers en SA-ers rond
het operagebouw waar de Rijksdag nu vergaderde, werd een noodwet aangenomen die Hitler alle macht gaf In de nu volgende maanden verbood hij alle politieke partijen (behalve de NSDAP natuurlijk), vakbonden, honderden verenigingen en hij stelde de kranten en filmstudio's onder censuur. Elk werk in kunst, cultuur en wetenschap moest een nationaal-socialistische uiting worden. De Duitse cultuur werd gelijkgescha-
keld. Alle universiteiten, scholen, orkesten en bedrijven werden gezuiverd. Joden werden niet alleen ontslagen uit overheidsdienst, ook hun zaken werden geboycot. De naleving van die boycot werd afgedwongen door plaatselijke comit's van de NSDAP en knokploegen van de sA. Omdat veel bedrijven afhankelijk waren van opdrachten van de staat, kon ook hier het ontslag van joodse werknemers makkelijk worden afgedwongen. Vrije beroepen (arts, advocaat, notaris) mochten ook niet meer door joden worden beoefend. Deze zuivering leidde tot isolement van de joodse gemeenschap. Het sluitstuk van deze politiek werd gevormd door de Neurenberger wetten van 1935, waarin joden hun burgerrecht werd ontnomen. Ook socialisten en communisten die aan hun politieke overtuiging vasthielden of die een belangrijke rol hadden gespeeld in die bewegingen werden gearresteerd door de geheime politie, de Gestapo. Wie door de Gestapo werd gepakt had geen recht op een normaal proces. Deze 'politieke misdadigers' werden in concentratiekampen opgesloten. Wie de mogelijkheid had, verliet Duitsland. Voor architecten, schrijvers en kunstenaars was dat makkelijker dan voor een communistische arbeider of een joodse schoenmaker.
De nieuwe maatschappij die Hitler voor ogen had, moest een volksgemeenschap worden, waarbij in theorie geen burgers, geen individuen, meer bestonden. 'Du bisst nichts, dein Volk ast alles' was de leus. Omdat er n volk was, was er n leider, n partij, n vereniging voor meisjes en n vereniging voor jongens. Er was ook maar n doel: het verwerven van 'Lebensraum' voor het Duitse volk, het sterkste en beste dat het Arische ras ooit had voortgebracht. Economie, cultuur, wetenschap en kunst moesten in dienst gesteld worden van dat doel. Maar alleen met massale terreur was een dergelijk doel niet te bereiken. Onder de Duitse bevolking was er ook 'aanvaarding' van Hitler en de NSDAP als een soort
politiek noodlot. beu aanvaarding wordt begrijpelijk uit de geschiedenis van voor 1933. Toen de vakbonden en de politieke partijen werden verboden, waren de meeste Duitsers daar niet zo rouwig om. Veel slechter dan in de oude republiek kon het niet worden, redeneerde men. Veel beter werd het ook niet, maar dat werd verzacht door geweldige beloften. In elk geval was het voor de Duitsers een verademing dat Hitler door de aanleg van 'Autobahnen', door herbewapening en andere projecten werk gaf aan miljoenen Duitsers. En zijn successen in de buitenlandse politiek spraken nog sterker aan.
Een wolf onder de schapen
De buitenlandse politiek was voor Hitlers propaganda minstens zo belangrijk als zijn binnenlandse politiek. Hij moest laten zien dat hij niet alleen voor werkgelegenheid zorgde. Hij moest vooral laten zien dat Duitsland weer meetelde in Europa, dat het gerespecteerd, ja gevreesd werd. Daar riskeerde hij veel voor. In 1933 haalde Hitler een streep door de herstelbetalingen. In hetzelfde jaar trok hij zich terug uit de Volkenbond en uit het ontwapeningsoverleg in Gnve. Duitsland had er volgens hem niets te zoeken, omdat het
