Historisch
In het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat er in Europa tussen 1920 en 1940 nogal wat dictators regeerden. De democratie, een nieuw verschijnsel in de 20e eeuw, had het moeilijk. Adolf Hitler was ook een dictator. Het woord dictator zijn we al eerder tegengekomen, bij de Romeinen.
Een dictator verving de twee consuls in een noodsituatie; dat mocht niet langer dan zes maanden duren. In dat opzicht waren de Romeinen dus heel voorzichtig. Vakkundig bestuur en praktische wetten waren het handelsmerk van het Romeinse rijk. Na de val van het Romeinse rijk lukte het lange tijd geen koning, geen keizer om duurzaam macht uit te oefenen. Een enkele keizer was
wel succesvol als wetgever ot vechtjas, maar een klunzige zoon kon het allemaal verprutsen. Denk maar aan Karel de Grote. Pas na de Renaissance (1350-1500) lukte het de vorsten hun macht uit te breiden. Daarvan was Lodewijk XIV het beste voorbeeld. In de 19e en 20e eeuw groeide de invloed van de staat voortdurend. In de industrile samenleving kreeg de overheid steeds meer taken. Denk maar aan onderwijs, sociale voorzieningen of de zorg voor wegen, waterleiding, elektriciteit en huisvesting. De invloed van de staat groeide, maar die van de burgerij ook. In de 19e eeuw kwam de democratie op. Koningen en ministers konden het land alleen nog besturen met instemming van het volk, de massa. Door de invoering van de democratie veranderde er niet zoveel als veel mensen gehoopt hadden. Zij voelden zich teleurgesteld en beschouwden zichzelf als verliezers. Zo ontstonden in verschillende landen grote groepen ontevredenen die open stonden voor mooie beloften en hoopten op een sterke leider. Het is vrij logisch dat deze groep groter was in de landen die de Eerste Wereldoorlog hadden verloren. En daardoor konden vlak na deze oorlog dictators de macht grijpen.
Van crisis naar crisis
Na de Eerste Wereldoorlog werd Duitsland een parlementaire democratie. Het volk koos het parlement en het parlement had de macht om de regering te controleren. Op papier was de Duitse grondwet uit 1919 een prachtige garantie voor een echte democratie. In januari 1919 gaf driekwart van de bevolking zijn stem aan een democratische partij. Toch werd de democratie aan alle kanten bedreigd. Tussen 1919 en 1923 balanceerde Duitsland steeds op het randje van een burgeroorlog. Er waren namelijk nogal wat verliezers in Duitsland. De democratie werd van drie kanten aangevallen. Om te beginnen waren er felle nationalisten die de democratie en de republiek verafschuwden. Ze wilden zich niet neerleggen bij de verloren oorlog en de vrede van Versailles. Toen de afspraken daarvan in mei 1919 openbaar werden, groeide hun aanhang. Een tweede bedreiging vormden de communisten. Zij wilden net als in Rusland 'raden' van arbeiders die de macht zouden krijgen. Met stakingen en demonstraties poogden ze een revolutie in Duitsland door te drukken. Daar kwam nog bij dat het land uiteen dreigde te vallen. In een aantal deelstaten van Duitsland waren groepen actief die de oude zelfstandige staten van voor 1870 weer wilden instellen. Deze separatisten hechtten aan oude tradities, maar ze dachten zo ook onder de vrede van Versailles uit te kunnen komen. De regering moest bij al deze onlusten veel geweld gebruiken. Tel dat op bij een enorme werkloosheid, hongersnood, gebrek aan brandstof en je hebt een beeld van totale ontreddering; van verlies. Het is dan ook geen wonder dat de partijen die de regering steunden bij de verkiezingen in 1920 veel stemmen verloren. Zij kregen de schuld van de chaos. De democratische partijen hadden krap
50% van de stemmen, de anti-democratische partijen van links en rechts hadden de andere helft. Het is natuurlijk niet goed als democratisch gekozen partijen de democratie willen afschaffen. Maar zo werkt het nu eenmaal. In 1923 kon Duitsland zijn herstelbetalingen aan Frankrijk niet opbrengen. De Fransen bezetten daarop voor straf het Roergebied. De Duitse regering riep op tot een algemene staking, maar betaalde wel de lonen door. Dat geld was er niet, het werd bijgedrukt. Het gevolg was een enorme inflatie en onrust in het hele land. Toch leek in 1924 de toekomst wat zonniger. Er kwam een nieuwe munt en de regering verbood loon- en prijsverhogingen. Met buitenlands, vooral Amerikaans, kapitaal, krabbelde de Duitse economie uit het dal. De betalingen aan het buitenland werden uitgesteld tot 1928. Duitsland deed zijn best om aanvaard te worden in de internationale gemeenschap en in 1926 werd het lid van de Volkenbond. Tot 1928 ging het dan ook goed, maar daarna
