Nederland en de wereld: kolonin
Nederland was neutraal gebleven in de Eerste Wereldoorlog en veel veranderingen gingen aan het land voorbij. Nederland voelde zich eigenlijk heel rijk en gelukkig. Het was buiten de afschuwelijke oorlog gebleven. En dan had het ook nog een onmetelijk groot koloniaal rijk. In 'de West' Suriname en de Antillen en in Azi de eilanden van de Archipel: Nederlands-Indi. Suriname en de Antillen waren betrekkelijk kleine samenlevingen. Suriname had rond 1914 maar 100.000 inwoners. Dat waren er toen ongeveer net zoveel als in de provincie Drente. Een belangrijk verschil met Drente is wel dat er in Suriname veel verschillende bevolkingsgroepen woonden en dat Suriname vier keer zo groot is als Nederland. Oorspronkelijk woonden er Indianen, de Cariben. Toen de kwamen de Europeanen, eerst de Engelsen later de Hollanders. Zij brachten vele tienduizenden Afrikaanse slaven naar het gebied om de ruim 400 plantages te bewerken. Dat brengt het aantal groepen op vier, maar de verscheidenheid was in werkelijkheid groter. Via Holland, de Republiek, kwamen er Europeanen uit alle landen, met zeer verschillende godsdienstige achtergronden: joden, protestanten, Hernhutters, katholieken. Hetzelfde geldt voor de Afrikaanse slaven die afkomstig waren van de gehele westkust van Afrika, een enorm gebied. Ontvluchte slaven, en dat waren er niet weinig, vormden in de loop van de tijd een belangrijke groep, de Marrons. Zij trokken zich terug in de dichte wouden van Suriname. Toen de slavernij werd afgeschaft (1863-1873) trok de Nederlandse regering arbeiders aan uit India (Hindostanen) en Nederlands-Indi (Javanen). Dit zijn dan alleen nog maar de hoofdstromen in de Surinaamse samenleving. Aan het begin van deze eeuw kunnen we
Suriname dan ook gerust een multiculturele samenleving noemen, hoewel dat woord toen nog niet bekend was. De Nederlandse regering had het rond 1920 moeilijk met deze kolonie. Het idee dat kolonin er vooral waren om de schatkist te vullen had men laten varen. De regering wilde de economische basis van het land verbreden. Maar de culturele verschillen waren groot, het onderwijspeil was laag en Suriname bleef een kleine samenleving. Daardoor was het moeilijk om winstgevende activiteiten van de grond te krijgen. De ligging van Suriname versterkte dit, want het lag ook nog eens gesoleerd.
Dat was in Nederlands-Indi wel anders. Het streven naar onafhankelijkheid, dat we in India
en China al zagen, was ook hier goed merkbaar. Het Nederlandse bestuur dacht daaraan tegemoet te komen door het instellen van een Volksraad, een soort parlement. Dat was nog lang geen cht parlement. De helft van de 48 leden werd gekozen door Indische bestuurders in Nederlandse dienst, de andere helft werd benoemd door het Nederlandse bestuur. Het doel was meepraten, niet meebeslissen. Voor de Indonesische nationalisten ging dit lang niet ver genoeg. Die zagen de Nederlanders het liefst meteen vertrekken. Deze nationalisten en de Indonesische communisten werden door het Nederlands gezag gezien als onverantwoordelijke onruststokers. Ze werden hard aangepakt. Opsluiting en verbanning waren normale straffen.
De rust werd niet alleen van binnenuit bedreigd. De economische banden van Nederlands-Indi met Nederland werden steeds minder belangrijk. Meer dan 90% van de export ging naar andere landen, Japan bijvoorbeeld, of de Verenigde Staten. Japan had daarbij ook vergaande militaire plan-
nen in Oost-Azi. Het zag zichzelf als de natuurlijke erfgenaam van de Europese landen dit in Azi kolonin bezaten. Nederland versterkte dan ook zijn militaire aanwezigheid in het gebied. Dat leidde in Nederland tot grote onrust, want veel Nederlanders vonden versterking van de vloot zonde van het geld. Dat kan waar zijn, maar veel belangrijker was, dat een klein land als Nederland zo'n immens gebied nooit zou kunnen verdedigen tegen een serieuze militaire dreiging. Dat bleek dan ook in 1941: Japan bezette zonder al te veel moeite de Indische Archipel.
