worden opgelost. 'Het is geen sprinkhanenplaag,'
hij in zijn eerste toespraak tot het Congres. Zijn plan was er op gericht om het evenwicht in de economie te herstellen. Deze nieuwe aanpak, de 'New Deal' gaf veel Amerikanen werk, maar nog veel meer hoop.

Maatregelen
Om te beginnen verlaagde Roosevelt de waarde van de dollar. Dat maakte Amerikaanse produkten in het buitenland goedkoper. Actieve ondernemers konden makkelijker concurreren, maar wie zijn geld in een oude kous bewaarde, had een strop.
Banken hadden door een te grote vrijheid van handelen de economie geruneerd. Daarom stelde Roosevelt ze onder toezicht van de overheid. Bankiers kregen met regels te maken. Industrilen werden om de tafel gezet om afspraken te maken over concurrentie, minimumlonen en over de lengte van de werkdag. Vakbonden kregen ook een vaste plaats in het economisch leven. De boeren kregen financile steun; oude voorraden werden opgekocht en vernietigd. Wie zijn akkers een jaar niet bewerkte, kreeg subsidie. Ook werden er stukken land aangekocht voor herbebossing. De overheid reserveerde veel geld voor grote openbare werken. In een tijd van crisis moest de overheid veel bestellen bij aannemers, vond Roosevelt. Om scholen te bouwen, zwembaden, bibliotheken, stuwdammen en kanalen. Het New
Deal-programma was het eerste voorbeeld van
een actieve overheid, die fors ingreep in het economisch leven. Deze nieuwe rol werd in meer staten in de westerse wereld overgenomen, vooral na de Tweede Wereldoorlog.
De aanpak van Roosevelt was gebaseerd op de ideen van de Britse econoom John Maynard Keynes (1883-1946). Zijn 'recept' was gebaseerd op het idee van het toedienen van 'tegengif uit de medische wetenschap. Ging het goed met de eco-
nomie, dan moest de overheid streng optreden: hoge belastingen, hoge rente en de sleutel op de schatkist. Raakte de economie in het dal, dan moest de overheid de schatkist openen. Dat was slim, want juist in slappe tijden willen bedrijven graag voor de overheid werken en ze rekenen dan natuurlijk lage prijzen.
Het Midden-Oosten
Onder de joden in Europa leefde al tientallen jaren de wens van een eigen staat; het liefst natuurlijk in Palestina, het Beloofde Land, het Land van Melk en Honing. Daar had Mozes, de profeet uit de thora, de joden heen geleid, duizenden jaren
'geleden. Vandaar waren ze weer verdreven en in verstrooiing over Europa geraakt in de tijd van Romeinse keizers. Dat ze daarheen zouden terugkeren was een rotsvaste overtuiging die onder joden leefde. Die overtuiging was in de loop van de 19e eeuw eerder sterker dan zwakker geworden. Net als onder andere volken in Europa leefde onder joden het nationalisme op. De opheffing van de wettelijke discriminatie van joden in de meeste landen van Europa had de echte discriminatie er niet minder op gemaakt. Vooral na 1870 stak in heel Europa het virus van het antisemitisme de kop op. Dit bleek vooral in de Dreyfus-affaire in Frankrijk. De joodse kapitein Dreyfus werd ervan beschuldigd dat hij geheime informatie verkocht had aan de Duitsers. Voor veel Fransen was het niet interessant of hij dat gedaan had of niet; hij was jood en dus schuldig. Pas toen de beroemde schrijver Emile Zola het voor Dreyfus opnam, werd hij in zijn eer hersteld. Dit soort zaken was geen reden, maar wel een stimulans voor veel joden om zich in te zetten voor een eigen staat. De beweging, het zionisme (Jeruzalem, Zion), werd geleid door Theodor Herzl, een journalist. Zijn aanhangers waren in de meeste gevallen ontwikkelde en idealistisch ingestelde types die in joodse kring met verbazing en achterdocht werden bekeken. Zou Jaweh, zo dachten veel orthodoxe joden, nu uitgerekend een liberale jood uitkiezen om Zijn Volk terug te brengen naar het Beloofde Land?
In Engeland bestond er nogal wat sympathie voor het zionisme en dat is de achtergrond van een belofte die de Engelse minister van Buitenlandse Zaken in 1917 deed. Hij beloofde de joden een nationaal tehuis in Palestina, onder Britse bescherming. Voor de Arabieren was dit een bittere pil. Zeker na de steun die ze van de Engelsen hadden gekregen in hun strijd tegen de Turken. Maar Engeland wilde hiermee alleen zijn invloed in het Midden-Oosten vergroten. Na de vrede van 1919
werden de wensen van Arabische vorsten voor
een deel ingewilligd. Maar ze kregen geen politieke zelfstandigheid, want Engeland en Frankrijk namen het hele Midden-Oosten 'in bescherming'.
Van oudsher woonden er ongeveer tienduizend joden in Palestina. De joodse immigratie was al voor de Balfour-verklaring op gang gekomen. De eerste joodse nederzetting, Tel Aviv, was in 1904 gesticht. De grote moeilijkheden tussen joden en Palestijnen begonnen toen duidelijk werd dat de Engelsen de joodse immigratie steunden. Tussen 1920 en 1940 bleek ook dat het niet ging om een handjevol zionistische idealisten. Toen jodenvervolgingen in Midden- en Oost-Europa heftiger werden, kwamen er steeds meer immigranten. Palestina werd een toevluchtsoord voor joden uit de hele wereld.
