Na de eerste Wereldoorlog waren de Verenigde Staten het rijkste land ter wereld geworden. Amerika had in de oorlog glansrijk bewezen een wereldmacht te zijn. President Wilson had een prachtig plan op tafel gelegd voor wereldvrede. En dat Europa daar niet voor voelde, was erger voor Europa dan voor Amerika, vond de gemiddelde Amerikaan. Amerika hield zich na 1920 daarom vooral met zijn eigen zaken bezig. De economische motor draaide op volle toeren. Voor de klanten waren er steeds nieuwe produkten en verlokkelijke aanbiedingen: een auto op afbetaling, een keus uit tientallen merken kauwgom en sigaretten, speelfilms, roddelbladen. Alle luxe die Europa pas na 1945 zou kennen, was in de VS al normaal in de jaren twintig.
Natuurlijk was die welvaart niet gelijk verspreid over de 110 miljoen Amerikanen. Van socialisme moesten de meeste Amerikanen niets hebben. Ze voelden zich door de hoge consumptie een hele Piet. Het prettige vooruitzicht zelf ook rijk te kunnen worden, moest natuurlijk niet bedorven worden. Rijk worden was het grote ideaal van elke Amerikaan. En dat leek heel gemakkelijk. Vooral het handelen in aandelen was erg winstgevend, dacht men. Elke dag stond in de krant dat de aandelenkoersen weer gestegen waren. In Wall Street stond het gebouw waar honderden makelaars in aandelen handelden. Dat deden ze in opdracht van duizenden kleine banken, verspreid over het hele land. De miljoenen klanten van al die banken gebruikten hun spaargeld om aandelen te kopen. En als ze het zelf niet deden, dan deed de bankdirecteur het wel. Iedereen won, het leek wel een loterij met alleen maar hoofdprijzen.
