Kenmerken van het fascisme
In het fascisme staat het gezag van de leider centraal. Het woord 'fasces' waar fascisme van is afgeleid, was al in het oude Rome een belangrijk symbool: een roedenbundel waar een bijl uitstak. De fasces symboliseren saamhorigheid en strijdlust. Het leiderschap van een 'sterke man', de 'Duce', werd door de fascisten beschouwd als een soort natuurwet. Een gevoel van eenheid was veel belangrijker dan overeenstemming in een praatclub als het parlement. De fascisten keken naar het verleden, naar het oude Rome, naar Itali in de Renaissance. Die grootheid moest hersteld worden; Mussolini geloofde er werkelijk in dat Itali na 1500 jaar weer de leider van de westerse beschaving zou worden. Hij liet, net als Caesar, grote bouwwerken uitvoeren in Rome. Architectuur en onderwijs waren zijn stokpaardjes. De jeugd moest doordrongen worden van de grootheid van het vaderland. Schoolboeken werden herschreven, linkse leraren ontslagen; de jeugd werd staatseigendom. Dat gebeurde niet met dwang, maar vooral met propaganda en het organiseren van manifestaties die aansloegen bij de jeugd. Fascistische politici als Mussolini en Hitler maakten meer dan wie ook gebruik van de wensen dit leefden bij de jeugd. Dat paste ook goed bij een sterke trend in de jaren twintig, het vitalisme. Het vitalisme ging er vanuit dat het leven (= vita) geleefd moest worden; liever kort en heftig dan saai en lang. 'Gevaarlijk leven' werd een nieuw ideaal in de Europese samenleving. De fascisten deden daaraan mee. Voor de 'bambini' bedachten ze spannende tijdschriften met veel stripverhalen over heldhaftige vliegeniers, technische rubrieken over machinegeweren en (gevechts-)vliegtuigen en voor de opgroeiende jeugd richtte de partij leuke jeugdhonken in waar boks-
les, schermen en pistoolschieten werden onderwezen. Mussolini vertoonde zich ook graag in zijn blote bast op de rand van een zwembad of bovenop een hooiwagen.
Het fascisme stond vijandig tegenover het christendom. Maar de kerk nam in Itali zo'n belangrijke plaats in dat Mussolini er niet omheen kon. De meeste Italianen waren gelovig en trouw aan de kerk. De kerk had vooral kritiek op de opvoedkundige ideen van de fascisten. Daarom sloot Mussolini in 1929 een verdrag met de kerk. Hij erkende Vaticaanstad als een soeverein (= zelfstandig) gebied in Itali in ruil voor terughoudendheid van de kerk in politieke zaken.
Nederland tussen oorlog en revolutie
Nederland bleef in de Eerste Wereldoorlog neutraal. De regering gaf dus geen steun aan de Centralen of aan de Geallieerden. De neutraliteit werd als iets heel kostbaars beschouwd. Maar voor een handelsland als Nederland betekende het wel dat de doorvoerhandel naar Duitsland stil kwam te liggen. Officieel natuurlijk, want in de praktijk werd er flink gesmokkeld. Bij het grote publiek bestond er eerst wel sympathie voor de Duitse kant, maar toen de Belgische gewonden en vluchtelingen naar Nederland kwamen, veranderde dat. Aanvankelijk merkte Nederland weinig van de oorlog. In de politiek bleef het vrij rustig. De grote meningsverschillen die er voor de oorlog bestonden over algemeen kiesrecht, het onderwijs en de sociale kwestie leken in 1914 opeens onbelangrijk te zijn geworden. De liberalen leidden de regering en het lukte ze om de geschillen van voor de oorlog passend op te lossen. Ze profiteerden dus van de neutraliteit om de politieke partijen bij elkaar te brengen. In de nieuwe grondwet van 1917 werd het algemeen kiesrecht eindelijk geregeld. Alle mannen konden in 1918 naar de stembus en in 1919 werd het kiesrecht voor vrouwen ingevoerd. Ook de onderwijskwestie werd soepel geregeld; bijzondere, protestants-christelijke en rooms-katholieke scholen kregen van de overheid dezelfde subsidie als openbare scholen. Aan de slepende schoolstrijd kwam dus een einde.
Toch was nog niet alle kou van de lucht. In de laatste maanden van de oorlog ontstond een onhoudbare situatie in de steden, vooral in de Amsterdamse volkswijken. De voedselrantsoenen waren te klein en er waren niet genoeg aardappels. Dat was toen het volksvoedsel. Bij het Muiderpoortstation werd een trein bestormd die
aardappels naar Duitsland vervoerde. De politie schoot zelfs met scherp op de vrouwelijke plunderaars. In de kazernes waren de soldaten, die zich vier jaar dood verveeld hadden, onrustig en in de Harskamp kwam het tot grote rellen. Toen in Duitsland op het einde van de oorlog een revolutie uitbrak, verwachtte de leider van de socialisten, Pieter Jelles Troelstra, dat de revolutie niet zou stoppen bij de grens. In november 1918 riep hij de republiek uit. Het ontbrak hem aan steun in zijn eigen partij en de 'vergissing' van Troelstra had een tegengesteld effect. Duizenden trouwe oranjeklanten trokken naar Den Haag voor een massale aanhankelijkheidsbetuiging aan de koningin.
De industrie profiteerde van de vrede doordat buitenlandse klanten veel opdrachten gaven aan Nederlandse bedrijven. In de jaren twintig raakte de Nederlandse economie weer in de versukkeling door toenemende buitenlandse concurrentie.
